WET van 11 november 2004,

houdende regels met betrekking tot

voorzieningen voor telecommunicatie

(Wet Telecommunicatievoorzieningen)

-------------------------------------------------

 

 

 

 

DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME,

            In overweging genomen hebbende, dat - in verband met de ontwikkelingen op het gebied van de telecommunicatie ter bevordering van doelmatige voorzieningen voor telecommunicatie - het wenselijk is nieuwe regels vast te stellen;

            Heeft, de Staatsraad gehoord, na goedkeuring door De Nationale Assemblée, bekrachtigd de onderstaande wet:

           

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.         Definities

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.                  aansluitpunt:                                 een eindpunt van de telecommunicatie-

infrastructuur, dat dient voor aansluiting van randapparatuur;

b.                  concessiehouder:              een rechtspersoon aan wie een concessie is

verleend op grond van artikel 9 lid 1;

c.                  directeur:                          de Directeur van de Telecommunicatie Autoriteit

Suriname, bedoeld in artikel 2 lid 2;

d.                  draadomroepinrichting:      een inrichting of onderdeel daarvan, bestemd om

met gebruik van kabels en kabelwerken of radioverbindingen tussen vaste punten, omroepprogramma's te verspreiden naar één of meer bij anderen in gebruik zijnde gronden, woningen dan wel niet tot woning dienende gebouwen of gedeelten van gebouwen;

e.                  gebruiker:                                    iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die

gebruik maakt van een openbare telecommunicatiedienst voor particuliere of zakelijke doeleinden zonder noodzakelijkerwijze op die dienst te zijn geabonneerd;

f.                  gereguleerde diensten:       diensten waarvoor specifieke voorwaarden gelden

om deze te leveren;

g.                  interconnectie:                  het op zodanige wijze met elkaar verbinden van al

dan niet onderscheiden vormen van telecommunicatie-infrastructuur, die in beginsel niet met elkaar verbonden zijn, waardoor de gebruiker van een aansluitpunt op een bepaalde telecommunicatie-infrastructuur (1) een verbinding kan opbouwen met een aansluitpunt op andere telecommunicatie-infrastructuur, (2) toegang heeft tot diensten die over andere telecommunicatie-infrastructuur worden aangeboden;

h.                  intern netwerk:                 een samenstel van kabels en kabelwerken dat zich

bevindt binnen een gebouw of een groep van gebouwen voor zover behorende tot één onderneming of instelling, al dan niet met elkaar verbonden door middel van radio-elektromagnetische zend- en ontvanginrichtingen, en waarmee diverse typen randapparatuur zowel onderling als met de telecommunicatie-infrastructuur zijn verbonden;

i.                  ITU-verdrag:                                  de op 22 december 1992 te Genève tot stand

gekomen Constitutie en Conventie van de Internationale Telecommunicatie Unie met de daarbij behorende bijlagen en reglementen (goedgekeurd bij Wet van 22 mei 1995, S.B. 1995 no. 53), met inbegrip van daarin nadien aangebrachte wijzigingen; 

j.          kabels:                                      geleidingen bestemd voor telecommunicatie;

k.               kabelnet:                             telecommunicatie-infrastructuur verbonden aan en

ten behoeve van het functioneren van draadomroep- en kabelinrichtingen;

l.                kabelwerken:                                   de bij kabels behorende ondersteuningswerken,

beschermingswerken en signaalinrichtingen, alsmede inrichtingen, bestemd om daarin verbinding tot stand te brengen tussen kabels in, op of boven openbare gronden enerzijds en kabels in gebouwen en daarmee één geheel vormende gronden anderzijds dan wel tussen laatstgenoemde kabels onderling;

m .              Minister:                             de Minister belast met de zorg voor het

communicatiewezen;

n.               mobiele infrastructuur:          de elementen van een openbaar

telecommunicatienetwerk die geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de levering van de mobiele openbare telefoondienst;

o.        mobiele diensten:                        diensten die bestaan uit de directe overdracht en

routering van signalen  en het daarbij tot stand   brengen van radiocommunicatie met een mobiele gebruiker die gebruik maakt van een aansluitpunt van een telecommunicatienetwerk, dat zich niet op vaste locaties bevindt;

p.        niet-gereguleerde diensten:                      diensten waarvoor geen specifieke

voorwaarden gelden om deze te leveren;

q.       nummer:                                     cijfers, letters of andere symbolen, al dan

niet in combinatie, die dienen voor toegang tot of identificatie van gebruikers, aansluitpunten, aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur en aanbieders van telecommunicatiediensten;

r.          nummeridentificatie:                               faciliteit om, voordat de verbinding tot

stand wordt gebracht: (1) het nummer van het oproepende aansluitpunt aan het opgeroepen aansluitpunt te verstrekken, (2) het nummer van het opgeroepen aansluitpunt aan het oproepende aansluitpunt te verstrekken;

s.              nummerplan:                                                een plan, houdende de bestemming van

nummers, daaronder mede begrepen gegevens over lengte en samenstelling van de in het plan opgenomen nummers;

t.              omroepprogramma:                           een programma van woord-, toon- of

beeldinhoud, bestemd voor allen die deze wensen te ontvangen;

u.              openbare gronden:                            (1) de openbare wegen met inbegrip van de

daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, duikers, beschoeiingen en andere werken, (2) de wateren met de daartoe behorende bruggen, de plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, welke tot gemene dienst van allen bestemd zijn, (3) de spoorwegen met de daarbij behorende terreinen;

v.            openbare telecommunicatiedienst:        telecommunicatiedienst die beschikbaar is

voor het publiek;

w.           President:                                           de President van de Republiek Suriname;

x.            Raad:                                                 de Raad van Commissarissen van de

Telecommunicatie Autoriteit Suriname, bedoeld in artikel 5;

y.         radio- elektromagnetische zend-

en ontvanginrichtingen:                          installaties die op basis van elektro-magnetische golven dienen als transport van informatie

z.              randapparatuur:                                een inrichting of samenstel van

inrichtingen, bestemd voor rechtstreekse aansluiting op de telecommunicatie-infrastructuur door middel van een aansluitpunt;

aa.              TAS:                                                           de Telecommunicatie Autoriteit Suriname,

bedoeld in artikel 2 lid 1;

bb.              telecommunicatie:                           iedere overdracht, uitzending of ontvangst

van signalen van welke aard ook door middel van kabels, langs radio-elektromagnetische weg of door middel van optische of andere elektromagnetische systemen;

cc.              telecommunicatie-infrastructuur:       een stelsel van inrichtingen met daarbij

behorende middelen, bestemd voor telecommunicatie die, geheel of gedeeltelijk, openbare gronden overschrijdt, welk stelsel is begrensd door daartoe             behorende aansluitpunten en met inbegrip van de aansluitingen op de telecommunicatie-inrichtingen in het buitenland;

dd.              Telesur:                                          het Telecommunicatiebedrijf Suriname;

ee.              vaste verbinding:                             een mogelijkheid voor het directe transport

van signalen tussen twee aansluitpunten, waarvan de totstandkoming niet door de gebruiker via een aansluitpunt kan worden beïnvloed;

ff.              vergunninghouder:                            een rechtspersoon en/of natuurlijke

persoon aan wie een vergunning is verleend.

 

HOOFDSTUK 2

TELECOMMUNICATIE AUTORITEIT SURINAME

 

Artikel 2          Instelling TAS

 

1.         Bij deze wet wordt ingesteld een Telecommunicatie Autoriteit

Suriname, afgekort TAS; de TAS is rechtspersoon en is in Paramaribo gevestigd.

 

2.         De TAS staat onder leiding van een Directeur, die op voordracht van de Minister na goedkeuring van de Raad van Ministers door de President wordt benoemd, geschorst en ontslagen; de benoeming van de Directeur geschiedt  voor een periode van vijf jaar.

 

3.        De Directeur vertegenwoordigt de TAS in en buiten rechte.

 

4.         Bij resolutie worden eisen vastgesteld terzake de benoembaarheid van de

Directeur.

 

5.         De functionarissen van de TAS worden door de Directeur benoemd, geschorst en ontslagen.

 

6.         De rechtspositie en de overige arbeidsvoorwaarden van de functionarissen

worden in een afzonderlijke regeling vastgesteld.

Artikel 3          Taken TAS

 

1.         De  taken van de TAS zijn:

a.         het bevorderen van de introductie van nieuwe technologieën en diensten;

b.         het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Minister terzake aangelegenheden de telecommunicatie betreffende;

c.          het voorbereiden van de te verlenen concessies en het toezicht houden op de naleving van de concessievoorwaarden door de concessiehouders;

d.         het toezicht houden op de tarieven voor gereguleerde c.q. opgedragen diensten;

e.         het verlenen van vergunningen en het toezicht houden op de naleving van de vergunningsvoorwaarden door de vergunninghouders;

f.          het vertegenwoordigen van de Republiek Suriname bij internationale organisaties;

g.         het beheer van het frequentiespectrum;

h.         het beheer van het nummerplan;

i.          standaardisatie en controle van randapparatuur;

j.          het beslechten van geschillen;

k.         het beheer van het Universele Dienstverleningsfonds;

l.          het uitvoeren van de bij en krachtens deze wet aan de TAS opgedragen

werkzaamheden;

m.        het verrichten van telecommunicatiewerkzaamheden voor zover in deze wet daarin niet uitdrukkelijk anders is voorzien.

 

2.         De Minister wint advies in van de TAS met betrekking tot:

a.         alle aangelegenheden van beleidsmatige aard de uitvoering van deze wet betreffende;

b.         alle voorstellen tot wijziging van deze wet en de daarop berustende

bepalingen.

           

Artikel 4          Bestuur TAS

 

1.         De Directeur kan worden bijgestaan door één of meer onderdirecteuren.

 

2.         Bij ontstentenis of belet van de Directeur berust het bestuur in zijn geheel bij een door de Raad  aan te wijzen onderdirecteur; in geval van ontstentenis of belet van de Directeur en alle onderdirecteuren wordt het bestuur voorlopig waargenomen door de Raad onverminderd hun bevoegdheid om het bestuur alsdan tijdelijk aan één of meer personen uit haar midden op te dragen.

 

3.         De onderdirecteur wordt op voordracht van de Raad benoemd, geschorst en ontslagen door de Minister,  na verkregen goedkeuring van de Raad van Ministers.

 

4.         De arbeidsvoorwaarden van de Directeur en de onderdirecteuren worden door de Minister, gehoord de Raad, na verkregen goedkeuring van de Raad van Ministers vastgesteld; de Directeur en de onderdirecteuren mogen zonder toestemming van de Raad geen nevenbetrekkingen vervullen, bezoldigd of onbezoldigd; verder mogen de Directeur en de onderdirecteuren in privé geen vertegenwoordiging of aandelen hebben in aanverwante bedrijven.

5.         Een schorsing als bedoeld in lid 3 van dit artikel zal de onderdirecteur schriftelijk, onder vermelding van de redenen, welke daartoe hebben geleid, moeten worden medegedeeld; alvorens een dergelijk besluit te nemen zal de Minister hem de gelegenheid geven zich bij hem of een door hem aan te wijzen functionaris of in te stellen commissie, te verweren binnen een periode van 1 (één) maand.

 

6.         Tegen ontslag staat beroep open bij de President binnen 30 (dertig) dagen nadat het ontslag ter kennis van de onderdirekteur is gebracht; de President beslist, gehoord de Minister, met redenen omkleed, schriftelijk binnen zes weken na indiening van het beroep.

 

Artikel 5          Raad van Commissarissen

 

1.         De Raad bestaat uit minimaal 5 (vijf) en maximaal 7 (zeven) leden die op voordracht van de Minister, na goedkeuring van de Raad van Ministers door de Minister, worden benoemd voor ten hoogste 3 (drie) jaren; de commissarissen zijn na ommekomst van deze periode terstond herbenoembaar, onverminderd het recht van de Minister de commissarissen tussentijds te ontslaan na goedkeuring van de Raad van Ministers.

 

2.         De Minister benoemt na goedkeuring van de Raad van Ministers één van de commissarissen tot President-Commissaris en de Raad wijst uit haar midden een Secretaris aan; de Raad  stelt verder haar werkzaamheden onderling vast.

 

3.         De commissarissen genieten een door de Minister vast te stellen remuneratie; de remuneratie komt ten laste van de  exploitatierekening  van de TAS.

 

4.         Alle andere niet in deze Wet geregelde zaken betreffende de Raad zullen bij Reglement worden vastgesteld.

 

Artikel 6          Aanwijzingen Minister

 

De Minister is bevoegd de TAS algemene aanwijzingen te geven met betrekking tot de vervulling van de in artikel 3 lid 1 genoemde taken; indien deze aanwijzingen betrekking hebben op het beleid terzake de door de TAS op te leggen boetes, geeft de Minister deze slechts na overleg met de Minister belast met de zorg voor justitiële en politionele aangelegenheden.

 

Artikel 7          Financiële middelen TAS

 

De financiële middelen van de TAS worden onder andere gevormd door:

a.         de concessievergoeding, bedoeld in artikel 21;

b.         vergoedingen voor door de TAS verleende vergunningen;

c.          de vergoedingen, bedoeld in artikel 81;

d.         de boetes die door de TAS ingevolge deze wet en de daarop berustende      

bepalingen worden opgelegd;

e.         de kosten door de overtreder betaald voor uitgeoefende bestuursdwang     ingevolge  artikel 85 leden 2 of 3;

f.         de geïnde dwangsommen, bedoeld in artikel 86; 

g.        vergoedingen die de TAS ontvangt voor ten behoeve van derden verrichte

werkzaamheden;

h.        middelen verkregen door schenkingen, legaten of anderszins,

beleggingen of rente van spaartegoeden;

i.          opbrengsten van inschrijvingen en veilingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 6 en artikel 62 lid 4.

 

2.         Jaarlijks wordt na aftrek van de exploitatiekosten en reserveringen voor ontwikkeling het surplus afgedragen aan de Staat.

 

Artikel 8          Begroting en verslagen

 

1.         De Directeur stelt jaarlijks vóór 1 november een begroting vast voor het volgende kalenderjaar en biedt deze aan de Raad  aan ter goedkeuring.

 

2.         De Directeur brengt jaarlijks vóór 1 april aan de Raad en de Minister een verslag uit over het gedurende het afgelopen kalenderjaar gevoerde financieel beheer; dit verslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een deskundige als bedoeld in artikel  74 van het Wetboek van Koophandel.

 

3.         Voorts brengt de Directeur jaarlijks vóór 1 april aan de Raad en de Minister over het afgelopen kalenderjaar een verslag uit over de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder.

 

HOOFDSTUK 3

TELECOMMUNICATIE-INFRASTRUCTUUR EN DIENSTEN

 

§ 1. Concessie

 

Artikel 9          Concessievereiste

 

1.         Het is verboden telecommunicatie-infrastructuur aan te leggen, te ontwikkelen en te exploiteren zonder een daartoe strekkende concessie, bij resolutie verleend door de President, op advies van de Minister, na de TAS gehoord te hebben.

 

2.         Een concessie wordt verleend aan een naar Surinaams recht opgerichte en hier te lande gevestigde rechtspersoon en aan hen gelijkgestelde.

 

3.         Rechtspersonen zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel, kunnen alleen een aanvraag voor een concessie doen voor:

a.         het aanleggen, ontwikkelen, in stand houden en exploiteren  van vaste infrastructuur ten behoeve van telecommunicatie in Suriname, waarbij gereguleerde en niet-gereguleerde diensten  kunnen worden aangeboden;

b.         het aanleggen, ontwikkelen in stand houden en exploiteren van infrastructuur ten behoeve van  mobiele telecommunicatie in Suriname, waarbij gereguleerde en niet-gereguleerde diensten kunnen worden aangeboden.

 

4.         Een concessie wordt slechts verleend, indien zulks strekt tot bevordering van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang.

 

5.         Een concessie wordt niet verleend dan nadat ten genoegen van de President is aangetoond dat de in lid 2 van dit artikel bedoelde rechtspersoon tenminste beschikt over voldoende financiële middelen, technische kennis, organisatorische bekwaamheid en ervaring terzake de telecommunicatie.

 

6.         Verlening van een concessie geschiedt door middel van een vergelijkende toets en/of een veiling ingevolge en in overeenstemming met een uitnodiging, voorbereid door de TAS, en dienaangaande uitgaande van de Minister en gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname.

 

Artikel 10        Radiofrequenties en capaciteit

 

1.         De TAS kent aan elke concessiehouder de radiofrequenties toe welke nodig zijn voor de uitvoering van de concessie; aan een zodanige toekenning kunnen voorschriften worden verbonden en een zodanige toekenning kan onder beperkingen worden verleend; voor zover daarbij niet anders is bepaald, zijn de krachtens artikel 49 lid 3 vastgestelde regels van overeenkomstige toepassing.

 

2.         Elke concessiehouder dient er zorg voor te dragen dat de capaciteit, de kwaliteit en de eigenschappen van de telecommunicatie-infrastructuur voldoen aan een doelmatige verzorging van de telecommunicatie.

 

§ 2. Interconnectie

 

Artikel 11        Algemene interconnectieverplichtingen

 

1.         Elke concessiehouder is, in het belang van een doelmatige verzorging van de

telecommunicatie, verplicht interconnectie te verlenen, wanneer daartoe een verzoek wordt gedaan door aanbieders van telecommunicatiediensten.

 

2.         Elke concessiehouder is verplicht een interconnectie-aanbod vast te stellen aan de hand van een door de TAS aangegeven modelovereenkomst die gepubliceerd dient te worden in het Advertentieblad van de Republiek Suriname.

 

3.         De interconnectie-overeenkomst vormt de basis voor het verlenen van

interconnectie.

 

4.         Bij het verlenen van interconnectie draagt elke concessiehouder er zorg voor          dat: 

a.         de voorwaarden voor koppeling non-discriminatoir zijn;

b.         de voorwaarden voor koppeling transparant zijn en de tarieven voor koppeling niet gebundeld worden;

c.          de vergoedingen voor koppeling, als onderdeel van de voorwaarden,  kostengeoriënteerd zijn.

 

5.         Bij of krachtens staatsbesluit kunnen nadere regels worden vastgesteld inzake de verplichtingen met betrekking tot het tot stand brengen van de interconnectie en het toezicht van de TAS daarop. 

 

Artikel 12        Interconnectie-overeenkomst

 

1.         Iedere concessiehouder is verplicht met aanvragers van interconnectie in onderhandeling te treden om te komen tot overeenkomsten op basis waarvan de interconnectie tot stand komt; de TAS kan bij het uitblijven van een overeenkomst een termijn stellen waarbinnen deze tot stand moet zijn gekomen.

 

2.         De kosten voor het tot stand brengen van interconnectie komen ten laste van degene die het verzoek daartoe doet.

 

3.         Van overeenkomsten als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt zo spoedig mogelijk een afschrift gezonden aan de TAS; bedoelde overeenkomsten dienen overeenkomstig het staatsbesluit, genoemd in lid 5 van artikel 11, te worden gesloten.

 

4.         Indien de TAS van oordeel is dat een overeenkomst strijdig is met het bepaalde

bij of krachtens deze wet, stelt deze de partijen daarvan in kennis onder mededeling van de bepalingen van de overeenkomst die naar haar oordeel wijziging behoeven;  zolang die wijzigingen niet zijn aangebracht, is door betrokken concessiehouders niet voldaan aan de verplichtingen in verband met interconnectie.

 

5.       Indien partijen die verplicht zijn een interconnectie-overeenkomst te sluiten deze niet tot stand kunnen brengen, kan de TAS op aanvraag van één of meer van hen de regels vaststellen die tussen hen zullen gelden.

 

6.       Indien één der partijen een rechterlijke uitspraak wenst zullen de door de TAS vastgestelde regels geldend zijn totdat de rechter een uitspraak terzake heeft gedaan.

 

§ 3. Diensten

 

Artikel 13        Gereguleerde en niet-gereguleerde diensten

 

Voor het aanbieden van gereguleerde en niet-gereguleerde diensten door anderen dan concessiehouders is een vergunnning vereist van de TAS; bij staatsbesluit wordt bepaald welke diensten gereguleerd zijn.

 

Artikel 14        Opgedragen diensten

 

1.         Elke concessiehouder kan in het belang van het algemeen maatschappelijk en

economisch telecommunicatieverkeer verplicht worden, de bij staatsbesluit te omschrijven gereguleerde diensten te verzorgen en een ieder tegen vergoeding het gebruik daarvan beschikbaar te stellen.

 

2.         Elke concessiehouder is bevoegd om gebruikers van de in lid 1 van dit artikel

bedoelde diensten geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van het gebruik daarvan :

a.         indien deze gebruiker handelt in strijd met de op hem rustende verplichtingen ingevolge de algemene voorwaarden van de desbetreffende concessiehouder; 

b.         voor zover het gebruik dat deze gebruikers van die voorzieningen maken een zodanige belasting van deze voorzieningen oplevert dat hinder wordt veroorzaakt aan andere gebruikers van die voorzieningen, dan wel, in geval het betreft vanuit Suriname uitgaande telecommunicatie, dit gebruik op zodanige wijze geschiedt dat omkering van de communicatierichting plaatsvindt, waardoor de verschuldigde vergoedingen voor het gebruik maken van deze voorzieningen niet in de volle omvang aan een concessiehouder toekomen, tenzij hierover met de desbetreffende concessiehouder afspraken zijn gemaakt.

 

Artikel 15        “Call-back”

 

Het is een ieder verboden voorzieningen voor telecommunicatie dan wel het gebruik daarvan in welke vorm dan ook of op welke wijze dan ook aan te bieden, voor zover deze voorzieningen een zodanige belasting opleveren voor voorzieningen die op grond van de in artikel 14 lid 1  bedoelde diensten  beschikbaar worden gesteld, dat hinder wordt veroorzaakt aan andere gebruikers van die voorzieningen, dan wel, in geval het betreft vanuit Suriname uitgaande telecommunicatie, deze voorzieningen tot gevolg hebben dat omkering van de communicatierichting plaatsvindt, waardoor de door de gebruiker aan een concessiehouder verschuldigde vergoedingen voor het gebruik maken van deze voorzieningen niet in de volle omvang aan een concessiehouder toekomen, tenzij hierover met een concessiehouder afspraken zijn gemaakt.

 

Artikel 16        Publieke telefoon

 

Het is zonder een vergunning van de TAS, of anderen  dan een concessiehouder niet toegestaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid bestemd voor het directe transport van signalen over de telecommunicatie-infrastructuur te plaatsen en te exploiteren.

 

Artikel 17        Telefoongids

 

Het vervaardigen, verspreiden of ter verspreiding in voorraad hebben van telefoongidsen en dergelijke vermeldingen van degenen die zijn aangesloten op de telecommunicatie-infrastructuur teneinde gebruik te kunnen maken van de krachtens artikel 14 lid 1  aan een concessiehouder opgedragen diensten, of van andere gegevens betreffende deze diensten benevens nabootsingen, op welke wijze dan ook vervaardigd, van bij een concessiehouder in gebruik zijnde drukwerken, formulieren en bescheiden, anders dan met toestemming van de desbetreffende concessiehouder, is verboden, onverminderd hetgeen terzake daarvan in andere wettelijke regelingen is bepaald.

 

Artikel 18        Diensten die internationale werking hebben

 

Het is zonder een vergunning van de TAS, of anderen  dan een concessiehouder niet toegestaan diensten die internationale werking hebben, aan te bieden.

 

 

§ 4. Concessievoorwaarden

 

Artikel 19        Concessievoorwaarden

 

1.         Aan een concessie worden voorwaarden verbonden die overeenkomstig artikel 9 lid 1 bij resolutie worden vastgesteld.

 

2.         Behalve de voorwaarden in elk bijzonder geval aan een concessie te verbinden, hebben de voorwaarden met het oog op de uitvoering van  artikel 9 leden 1 en 3, artikel 10 lid 2 en artikel 14 leden 1 en 2 in elk geval betrekking op:

a.         de omvang en aard van de concessie;

b.         de duur van de concessie;

c.          de gronden voor intrekking van de concessie;

d.         het in stand houden van een goede telecommunicatie‑infrastructuur en een goede dienstverlening;

e.         de wijze en mate van dienstverlening;

f.          de samenwerking tussen concessiehouders;

g.         het vaststellen van algemene voorwaarden;

h.         de geheimhouding;

i.          de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

j.          het verstrekken van periodieke informatie aan de TAS ten dienste van het    toezicht overeenkomstig door de Minister  vast te stellen regels. 

 

3.         Een besluit tot vaststelling van nieuwe of wijziging van bestaande voorwaarden wordt genomen met inachtneming van een bedrijfsmatige en op continuïteit gerichte exploitatie door de concessiehouder.

 

4.         De TAS kan regels vaststellen met betrekking tot de door een concessiehouder te hanteren tarieven en de wijziging daarvan.

 

Artikel 20        Wijziging concessievoorwaarden en intrekking concessie

 

1.         Een wijziging van de in artikel 19 leden 1 en 2 bedoelde concessievoorwaarden wordt niet eerder van kracht dan een jaar na de vaststelling bij resolutie, tenzij een daarbij aan te geven algemeen belang dat dringend vordert of de desbetreffende concessiehouder met het eerder van kracht worden instemt.

 

2.         Bij niet naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voorschriften kan de concessie op advies van de Minister, na de TAS gehoord te hebben, door de President worden ingetrokken.

 

 

 

 

Artikel 21        Concessievergoeding

 

1.         De concessievergoedingen, welke aan de TAS dienen te worden betaald, bestaan uit:

a.         een eenmalige vergoeding voor de toewijzing van de concessie;

b.         een jaarlijkse vergoeding voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voorschriften alsmede voor de uitoefening van bevoegdheden inzake de telecommunicatie door de TAS.

 

2.         De in lid 1 van dit artikel bedoelde vergoedingen worden bij beschikking vastgesteld.

 

Artikel 22        Geschillenbeslechting

 

1.         Onverminderd het bepaalde in artikel 10 van de Grondwet beslecht de TAS  de navolgende geschillen tussen:

- concessiehouders onderling;

- concessiehouders en andere aanbieders van telecommunicatiediensten;

- gebruikers en aanbieders van telecommunicatiediensten

met betrekking tot de toepassing van de door die aanbieder vastgestelde algemene voorwaarden.

 

2.         Bij staatsbesluit worden terzake de geschillenbeslechting nadere regels vastgesteld.

 

3.         Tegen beslissingen van de TAS met  betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde geschillen staat beroep open bij de Minister  binnen dertig dagen nadat die ter kennis van betrokkene zijn gebracht; de Minister stelt daartoe een geschillencommissie in om hem terzake te adviseren.

 

Artikel 23        Geschillencommissie

 

1.         De geschillencommissie bestaat uit:

a.         een voorzitter;

b.         een vertegenwoordiger van het Ministerie belast met de zorg voor het  communicatiewezen;

c.          een vertegenwoordiger van het bedrijfsleven.

 

2.         De commissie stelt een reglement op waarin zijn opgenomen regels betreffende de werkwijze; dit reglement behoeft de goedkeuring van de Minister.

 

3.         De commissie kan zich door terzake deskundigen doen bijstaan.

 

4.         De voorzitter en de leden van de commissie ontvangen voor hun werkzaamheden een door de Minister vast te stellen vergoeding, welke ten laste komt van betrokken partijen.

 

 

 

 

§ 5. Nummerbeheer

 

Artikel 24        Toekenning nummers

 

1.       In het belang van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie is de TAS belast met de zorg voor het beheer van door gebruikers, concessiehouders en andere aanbieders van openbare telecommunicatiediensten, te bezigen nummers.

 

2.       Met het oog op de in lid 1 van dit artikel bedoelde zorg stelt de TAS een of meer nummerplannen vast, waarin in ieder geval de bestemming van de daarin opgenomen nummers wordt aangegeven.

 

3.       De toekenning en reservering van nummers geschieden door de TAS; daarbij wijkt de TAS niet af van de vastgestelde nummerplannen; in het belang van een doelmatige toekenning van nummers kunnen aan de toekenning of reservering voorschriften worden verbonden en kunnen zij onder beperkingen worden toegekend.

 

4.       De TAS is verplicht de nummerplannen te rapporteren aan alle internationale organisaties op het gebied van telecommunicatie,  waarvan Suriname lid is.

 

Artikel 25        Weigering nummers

 

1.         De toekenning of  reservering van nummers wordt geweigerd, indien:

a.         de aanvrager niet behoort tot één der in artikel 24 lid 1 genoemde categorieën;

b.         toekenning daarvan in strijd is met een nummerplan;

c.          de gevraagde nummers reeds in gebruik zijn;

d.         redelijkerwijs is te verwachten dat de aanvrager niet zal kunnen voldoen aan het bij of krachtens deze wet met betrekking tot nummers bepaalde.

 

2.         De toekenning of reservering van nummers kan voorts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien:

a.         op grond van de aanvraag redelijkerwijs niet is te verwachten dat het voorgenomen gebruik binnen een jaar of binnen de termijn gedurende welke de gereserveerde nummers, blijkens de reservering, beschikbaar blijven, wordt verwezenlijkt;

b.         het in de aanvraag omschreven voorgenomen gebruik de toekenning van de gevraagde hoeveelheid nummers niet rechtvaardigt;

c.          een eerdere toekenning is ingetrokken:

1e. op grond van het bepaalde in artikel 101 lid 1 onder d;  

2e. wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel van de voorschriften die aan de toekenning waren verbonden of van de beperkingen waaronder deze was verleend.

 

Artikel 26        Intrekking nummers

 

1.         De toegekende of gereserveerde nummers worden ingetrokken, indien:

a.         de houder van de toegekende nummers daarom verzoekt;

b.         een wijziging van een nummerplan daartoe noodzaakt;

c.          het doelmatig gebruik van nummers in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert;

d.         de gronden, waarop de toekenning of reservering is gebaseerd, zijn weggevallen.

 

2.         De toegekende of gereserveerde nummers kunnen worden ingetrokken, indien de houder van het toegekende nummer of de reservering de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels, dan wel de voorschriften die aan de toekenning of reservering zijn verbonden of die van de beperkingen waaronder deze zijn toegekend, niet nakomt.

 

Artikel 27        Nummerregister

 

De TAS houdt een nummerregister bij, dat een overzicht bevat van de toegekende en gereserveerde nummers alsmede, in geval van reservering, de tijd gedurende welke de reservering gehandhaafd blijft.

 

Artikel 28        Nummerplannen

 

Bij staatsbesluit worden regels vastgesteld met betrekking tot:

a.         hetgeen bij het opstellen van een nummerplan in aanmerking moet worden genomen;

b.         de te volgen procedures terzake de reservering en uitgifte van nummers;

c.          de inrichting van en de inzage in het nummerregister.

 

Artikel 29        Afwijking nummerplan

 

1.         Het is verboden voor een bestemming die voorkomt in een nummerplan andere nummers te gebruiken dan die welke in dat plan voor die bestemming zijn opgenomen.

 

2.         Het is verboden nummers die voorkomen in een nummerplan of in een aangewezen bestemming, en die niet door de TAS zijn afgegeven of die afwijken van de bij de toekenning door de TAS in overeenstemming met een nummerplan aangegeven bestemming, te gebruiken.

 

 

§ 6. Nummeridentificatie

 

Artikel 30        Aanbieding nummeridentificatie

 

1.         Een concessiehouder biedt de dienst van nummeridentificatie aan, indien de telecommunicatie-infrastructuur zulks mogelijk maakt.

 

2.         Een concessiehouder biedt iedere gebruiker die daarom verzoekt de mogelijkheid om doorgifte van diens nummer te blokkeren of uit te schakelen.

 

3.         De TAS kan ten aanzien van de in lid 1 van dit artikel bedoelde dienst nadere regels vaststellen met betrekking tot:

a.         de voorwaarden waaronder de identificatie van nummers van oproepende en opgeroepen aansluitpunten kan worden beëindigd;

b.         de wijze waarop uitvoering aan nummeridentificatie in het internationale telecommunicatieverkeer kan worden gegeven;

c.          de wijze waarop de concessiehouders de gebruikers voorlichten over het gebruik van nummeridentificatie.

 

Artikel 31        Alarmnummers

 

1.         Elke concessiehouder die nummeridentificatie aanbiedt, is verplicht aan door de   Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie aangewezen beheerders van een alarmnummer voor publieke diensten, indien er telecommunicatie met een alarmnummer wordt afgewikkeld, gelijktijdig:

a.         het nummer van het oproepende aansluitpunt te verstrekken, ook als bij dat aansluitpunt gebruik gemaakt wordt van een in artikel 30 lid 2 onder b bedoelde blokkeringsmogelijkheid;

b.         naam, adres en woonplaats van de abonnee dan wel de locatie van de desbetreffende voor het publiek toegankelijke gelegenheid, bedoeld in artikel 16, die onder het desbetreffende nummer is aangesloten, te verstrekken; de bekendmaking van het besluit tot aanwijzing, bedoeld in de aanhef van dit lid, wordt geplaatst in het Advertentieblad van de Republiek Suriname.

 

2.         De verstrekte nummers en de in lid 1 onder b van dit artikel bedoelde gegevens worden door de beheerders, bedoeld in de aanhef van lid 1, geregistreerd in een daartoe bestemd register.

 

3.         Verstrekking van nummers en gegevens uit het register vindt slechts plaats met

het oog op:

a.         de hulpverlening in noodsituaties; aan de aangewezen publieke diensten belast met hulpverleningstaken;

b.         de bestrijding van het misbruik van alarmnummers; aan degene die belast is met het onderzoek van het gemaakte misbruik met het oog op eventuele strafvervolging.

 

4.         De termijn gedurende welke de in lid 2 van dit artikel bedoelde nummers en

gegevens blijven geregistreerd, bedraagt ten hoogste:

a.         een maand,  indien de nummers en gegevens betrekking hebben op

gevallen waarin kennelijk sprake is van een verzoek om hulpverlening in een noodsituatie;

b.         zes maanden,  indien de nummers en gegevens betrekking hebben op gevallen waarin kennelijk sprake is van misbruik van een alarmnummer voor publieke diensten;

c.          vierentwintig uur in alle overige gevallen.

 

5.         De op grond van lid 1 van dit artikel bedoelde beheerder vergoedt de kosten die gemoeid zijn met het verstrekken van de in lid 1 onder a en b bedoelde nummers en gegevens.

 

 

§ 7. Bevoegd aftappen

 

Artikel 32        Aftapverbod

 

1.         Het is, anderen dan degene met wie verbinding wordt opgebouwd, verboden van de over de telecommunicatie‑infrastructuur getransporteerde signalen kennis te nemen.

 

2.         Het in lid 1 van dit artikel bedoelde verbod is niet van toepassing voor zover zulks geschiedt ter uitvoering van een bijzondere last gegeven door:

a.         de President voorzover de noodzaak en de wenselijkheid in het belang van de nationale veiligheid, zulks vorderen.

b.         de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in het belang van de handhaving van de nationale veiligheid voorzover zulks betrekking heeft op de opsporing en vervolging van strafbare feiten overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering voorzover de noodzaak en de wenselijkheid zulks vorderen.

 

3.         Het in lid 1 van dit artikel bedoelde verbod is niet van toepassing op het daartoe door een concessiehouder gemachtigde personeel, doch slechts voor zover zulks in het belang van de goede uitvoering van de dienst noodzakelijk is.

 

Artikel 33        Aftapbaarheid

 

1.         Elke concessiehouder draagt er zorg voor dat de over diens telecommunicatie‑infrastructuur getransporteerde signalen aftapbaar zijn, voordat deze aan een gebruiker beschikbaar wordt gesteld.

 

2.         Bij staatsbesluit kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de technische aftapbaarheid van de telecommunicatie-infrastructuur.

 

Artikel 34        Bijzondere last

 

1.         Elke concessiehouder is verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bijzondere last gegeven door een bevoegde instantie of persoon tot het aftappen of opnemen van telecommunicatie die over  diens infrastructuur wordt afgewikkeld; daartoe is elke concessiehouder mede gehouden aan de bevoegde autoriteiten alle benodigde informatie te verstrekken en beschikbaar te hebben, die noodzakelijk is om een bijzondere last uit te kunnen voeren.

 

2.         Bij staatsbesluit kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot:

a.         de te nemen organisatorische en personele maatregelen en te treffen voorzieningen met betrekking tot het aftappen;

b.         het verstrekken en beschikbaar hebben van informatie, bedoeld in lid 1 van dit artikel.

 

Artikel 35        Beveiliging

 

1.         Elke concessiehouder is verplicht gegevens met betrekking tot een bijzondere last als bedoeld in artikel 34 lid 1 en de verstrekking van informatie, bedoeld in artikel 31 lid 3, te beveiligen tegen kennisneming door onbevoegden alsmede geheimhouding te betrachten met betrekking tot deze gegevens.

 

2.         Bij staatsbesluit kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de te nemen maatregelen in verband met de in lid 1 van dit artikel bedoelde beveiliging van gegevens.

 

 

§ 8. Overige bepalingen

 

Artikel 36        Internationale bepalingen

 

1.         Elke aanbieder van telecommunicatiediensten is gehouden bij de uitvoering van de ingevolge deze wet op hem rustende verplichtingen terzake de verzorging van het internationale telecommunicatieverkeer en de daarop betrekking hebbende verplichtingen, welke voortvloeien uit het ITU-verdrag alsmede uit andere bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties, na te komen.

 

2.         Door of namens de President kunnen aan concessiehouders voorschriften worden gegeven die betrekking hebben op:

a.         het waarborgen van een goede toepassing van lid 1 van dit artikel;

b.         het verlenen van de nodige medewerking aan de Minister en de Minister

belast met de zorg voor buitenlandse aangelegenheden bij de voorbereiding van verdragen en besluiten als bedoeld in lid 1 van dit artikel en het in verband daarmee te voeren internationaal overleg.

 

Artikel 37        Blikseminslag

 

Elke concessiehouder is verplicht de nodige voorzieningen ter bescherming van de telecommunicatie-infrastructuur tegen blikseminslag aan te brengen.

 

Artikel 38        Aansprakelijkheid

 

1.         Elke concessiehouder is voor schade aan derden, als gevolg van het niet of niet goed functioneren van de telecommunicatie‑infrastructuur en van tekortkomingen bij de uitvoering van de door hem geleverde diensten en van de zorg voor vaste verbindingen, slechts aansprakelijk, indien het schade betreft :

            a.         resulterend in dood of lichamelijk letsel;

b.         door het handelen in strijd met de artikelen 435, 438, 439 en 440 van het Wetboek van Strafrecht;

c.          door het niet of onjuist verstrekken, het onzorgvuldig beheren of verwerken van gegevens betreffende gebruikers van de bedoelde diensten dan wel door fouten in administratieve verrichtingen samenhangend met die gegevens.

 

2.         Bij staatsbesluit worden bedragen voor aansprakelijkheid, bedoeld in lid 1 van dit artikel, vastgesteld die niet overschreden mogen worden; de hoogte van de  bedragen kan verschillend zijn voor onder meer de aard van de gebeurtenis en de aard van de door de concessiehouder geleverde diensten.

 

3.         Een concessiehouder kan zich niet beroepen op een uit de leden 1 en 2 van dit artikel voortvloeiende uitsluiting of beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit zijn eigen handelen of nalaten, hetzij met de opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.

 

Artikel 39 Aansprakelijkheid internationaal telecommunicatieverkeer

 

Terzake de verzorging van het internationale telecommunicatieverkeer is een concessiehouder slechts aansprakelijk overeenkomstig de bepalingen van het ITU-verdrag, alsmede van andere bindende verdragen die Suriname gesloten heeft, of besluiten van volkenrechtelijke organisaties welke betrekking hebben op het internationale telecommunicatieverkeer.

 

 

HOOFDSTUK 4

UNIVERSELE DIENSTVERLENING

 

Artikel 40

 

1.         In het algemeen maatschappelijk belang worden bij staatsbesluit openbare telecommunicatiediensten of daarmee samenhangende voorzieningen aangewezen die voor een ieder tegen een betaalbare prijs en van een bepaalde kwaliteit beschikbaar moeten zijn.

 

2.       In het algemeen maatschappelijk belang worden bij of krachtens staatsbesluit regels vastgesteld over de hoogte van de in lid 1 van dit artikel bedoelde prijs en over het vereiste kwaliteitsniveau; bij de hoogte van de prijs kan onderscheid worden gemaakt tussen groepen gebruikers.

 

3.       Ter ondersteuning en begeleiding van de nationale informatie, communicatie en  technologische ontwikkeling zal bij Staatsbesluit een nationaal Informatie, Communicatie en Technologisch instituut worden ingesteld. In dit staatsbesluit zullen regels ten aanzien van de financiering mede vastgesteld worden. Er zal een fonds worden gevormd voor de financiering van dit ICT instituut, aan welk fonds alle aanbieders van de informatie en communicatiediensten een bijdrage zullen dienen te leveren, evenals de concessiehouders. Bij Staatsbesluit zullen nadere regels ten aanzien van de financiering worden vastgesteld. Dit nationaal instituut zal rechtstreeks ressorteren onder de President, die een Minister kan belasten met de uitvoering.

 

 

 

Artikel 41

 

1.         De President  kan, op advies van de Minister, in de concessie als voorwaarde opnemen dat de concessiehouder universele diensten dient te verlenen, onder voorwaarde dat zulk een dienstverlening in een transparante, non-discriminatoire en concurrentie-neutrale sfeer plaatsvindt.

 

2.         Een concessiehouder, die middels zijn concessie gehouden is universele diensten te verlenen, dient dit te doen tegen een betaalbare prijs overeenkomstig het in artikel 40 lid 2 bedoelde staatsbesluit.

 

Artikel 42        Universele Dienstverleningsfonds

 

1.         Er wordt een fonds opgericht, genaamd Universele Dienstverleningsfonds, welk fonds beheerd zal worden door de TAS in overeenstemming met regels vastgesteld bij resolutie.

 

2.         Elke concessiehouder zal bijdragen aan het fonds.

 

3.         De Minister zal, op advies van de TAS, vaststellen welk percentage van het bruto inkomen de concessiehouder zal moeten bijdragen aan het fonds; het bij te dragen percentage zal voor alle concessiehouders hetzelfde zijn.

 

4.         De President zal, op advies van de Minister, na de TAS te hebben gehoord specificeren voor welke diensten en in welke gebieden concessionarissen aanspraak maken op betalingen uit het fonds indien zij in betreffende gebieden de aangewezen dienst hebben aangeboden. .

 

Artikel 43        Doel van het Universele Dienstverleningsfonds

 

1.         Het fonds zal, op advies van de TAS, gebruikt worden om elke concessiehouder die krachtens artikel 40 opgedragen wordt universele diensten te verlenen, te compenseren of om universele dienstverlening te stimuleren.

 

2.         Door de President zal, door tussenkomst van de Minister, de hoogte van de te betalen compensaties, als bedoeld in lid 1 van dit artikel, berekend worden op grond van de concessievoorwaarden en in overeenstemming met de regels vastgesteld bij resolutie.

 

3.         De TAS zal de in het vorige lid genoemde compensaties betalen aan de betrokken concessiehouders.

 

4.         Bij het vaststellen van regels, zoals aangegeven in lid 2 van dit artikel, zal de Minister ook geleid worden door de werkelijke kosten die de concessiehouder heeft bij het verlenen van bedoelde universele diensten.

 

 

 

 

HOOFDSTUK 5

TELECOMMUNICATIE-INRICHTINGEN VAN BIJZONDERE AARD OF BEPERKTE OMVANG

 

§ 1. Inleidende bepaling

 

Artikel 44        Algemeen

 

Het is anderen dan een concessiehouder slechts toegestaan telecommunicatie-­inrichtingen van bijzondere aard of beperkte omvang als bedoeld in dit hoofdstuk aanwezig te hebben, aan te leggen, in stand te houden, te gebruiken en te exploiteren met inachtneming van het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

 

 

§ 2. Radio-elektromagnetische zend- en ontvanginrichtingen

 

Artikel 45        Radio-elektromagnetische zendinrichtingen

 

Elke samenvoeging van onderdelen, geschikt om daarmede een radio-elektromagnetische zendinrichting te vormen, wordt voor de toepassing van deze paragraaf met een radio-elektromagnetische zendinrichting gelijkgesteld.

 

Artikel 46        Vergunningvereiste voor een radiozender

 

1.         Het is, anders dan krachtens concessie verboden radio-elektromagnetische zendinrichtingen aanwezig te hebben, aan te leggen of te gebruiken dan wel te exploiteren, tenzij krachtens een door de TAS afgegeven vergunning.

 

2.         Bij of  krachtens staatsbesluit kunnen radio-elektromagnetische  zendinrichtingen worden aangewezen waarvoor geen vergunning als bedoeld in lid 1 van dit artikel is vereist.

 

3.         Bij of  krachtens staatsbesluit kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot:

a.         de in lid 1 van dit artikel bedoelde vergunningen;

b.         de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van radio-elektromagnetische zendinrichtingen, ongeacht of daarvoor een vergunning is vereist.

 

4.         De in lid 3 van dit artikel bedoelde regels strekken ter waarborging van een doelmatig gebruik van de ether; zij kunnen mede strekken ten dienste van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang.

 

5.         De in lid 3 van dit artikel bedoelde regels hebben in ieder geval betrekking op:

a.         het verlenen van vergunningen als bedoeld in lid 1 van dit artikel, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt naar de duur van de vergunning, de aard van de radio-elektromagnetische zendinrichting, het doel waarvoor de vergunning wordt verleend, de aan die vergunningen te verbinden voorschriften alsmede de beperkingen waaronder zij kunnen worden verleend;

b.         de bevoegdheid tot het bedienen van daarbij te omschrijven categorieën van radio-elektromagnetische zendinrichtingen;

c.          de aan radio-elektromagnetische zendinrichtingen te stellen technische eisen;

d.         het voorkomen en opheffen van belemmeringen en storingen die radio-elektromagnetische zendinrichtingen teweeg brengen in daarbij te    omschrijven inrichtingen;

            e.         de keuring van een radio-elektromagnetische zendinrichting;

            f.          hetgeen nodig is ter uitvoering van de  voor Suriname bindende    verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties;

            g.         het in de uitoefening van beroep of bedrijf vervaardigen, verhandelen, 

                        installeren of herstellen van radio-elektromagnetische zendinrichtingen.

 

6.         Een vergunning wordt geweigerd, indien:

a          verlening daarvan in strijd zou zijn met de krachtens lid 5 van dit artikel vastgestelde regels;

b.         een doelmatig gebruik van de ether dit vordert;

c.          een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert;

d.         deze is gevraagd voor het verspreiden van omroepprogramma's en de verlening in strijd zou zijn met de bij of krachtens wet toegestane verspreiding van omroepprogramma's;

e.         een eerder verleende vergunning als bedoeld in lid 1 van dit artikel is ingetrokken:

1e.        op grond van het bepaalde in artikel 101 lid 1 onder a;

2e.        wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel van de aan de vergunning verbonden voorschriften of de beperkingen waaronder zij is verleend;

f.          de aanvrager niet heeft voldaan aan nog op hem rustende verplichtingen welke voortvloeien uit een eerder aan hem verleende vergunning;

g.         de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 48 lid 1 vastgestelde regels.

7.         Een vergunning wordt ingetrokken, indien:

a.         de vergunninghouder daarom verzoekt;

b.         de gronden, waarop de vergunning is verleend, zijn vervallen;

c.          de  vergunninghouder de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften en de beperkingen waaronder zij is verleend niet nakomt;

d.         een doelmatig gebruik van de ether dit vordert;

e.         een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert.

 

Artikel 47        Ontheffing

 

Het is degene, die krachtens artikel 46 leden 1 en 2 gerechtigd is een telecommunicatie-inrichting aan te leggen, te ontwikkelen of te gebruiken, verboden die inrichting te gebruiken om voor derden:

a.         diensten omschreven krachtens artikel 14 lid 1  te verzorgen;

b.         andere vormen van telecommunicatie te verzorgen dan bedoeld onder a van dit lid anders dan door middel van de telecommunicatie-infrastructuur.

 

2.         De TAS kan ten aanzien van radio-elektromagnetische zendinrichtingen als bedoeld in artikel 46 lid 1 van het verbod in lid 1 van dit artikel ontheffing verlenen voor telecommunicatie tussen gebruikers van een bepaalde bij die ontheffing aan te geven categorie, indien de concessiehouders niet bereid of niet in staat zijn binnen redelijke termijn en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een gelijkwaardige voorziening beschikbaar  te stellen.

 

3.         Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend, in verband met het doel waarvoor de ontheffing wordt verleend.

 

4.         Een ontheffing kan worden geweigerd, indien een eerder verleende ontheffing als bedoeld in lid 2  van dit artikel is ingetrokken:

a.         op grond van het bepaalde in artikel 101 lid 1 onder c;   

b.         wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel van de aan de aanvullende vergunning verbonden voorschriften of  beperkingen waaronder zij is verleend;

 

5.         Het verbod in lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op de bij of krachtens wet toegestane verspreiding van omroepprogramma's door middel van de in lid 2 van dit artikel bedoelde inrichtingen.

 

Artikel 48        Procedureregels

 

1.         Bij of krachtens staatsbesluit kunnen regels worden vastgesteld ten aanzien van de totstandkoming van besluiten tot verlening, weigering, wijziging of intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 46 lid 1 en van een ontheffing als bedoeld in artikel 47 lid 2.

 

2.         De in lid 1 van dit artikel bedoelde regels kunnen slechts betrekking hebben op:

a.         de wijze waarop een aanvraag tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of een ontheffing wordt ingediend en behandeld en de wijze waarop de ambtshalve wijziging of intrekking van een vergunning of een ontheffing wordt voorbereid;

b.         de gegevens die bij een aanvraag tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning worden verstrekt;

c.          de termijn waarbinnen op de aanvraag wordt beslist.

 

3.         De besluiten tot weigering, intrekking of wijziging van een vergunning of ontheffing, als bedoeld in lid 1 van dit artikel, dienen met redenen te zijn omkleed.

 

Artikel 49        Radio-ontvangers

 

1.         Bij of krachtens staatsbesluit kunnen ten aanzien van radio-elektromagnetische ontvanginrichtingen, die niet uitsluitend zijn bestemd voor de ontvangst van omroepprogramma's, regels worden vastgesteld.

 

2.        Met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde regels is artikel 46 lid 5 van overeenkomstige toepassing.

 

3.       De in lid 1 van dit artikel bedoelde regels kunnen slechts betrekking hebben op:       a.         het stellen van het vereiste van een vergunning van de TAS voor de

aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van daarbij aan te geven soorten ontvanginrichtingen anders dan krachtens een concessie, in het belang van de bescherming van de rechten van derden in het radioverkeer dan wel de nakoming van de voor Suriname bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, alsmede de aan zodanige vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen waaronder zij kan worden verleend;

b.         het gebruik van hetgeen met een ontvanginrichting kan worden opgevangen ter bescherming van de rechten van derden.

 

4.         Een vergunning als bedoeld in lid 3 onder a van dit artikel kan, onverminderd het bepaalde in lid 7 van dit artikel, worden geweigerd,  indien:

a.         een eerder verleende vergunning als bedoeld in lid 3 onder a van dit artikel, is ingetrokken:

1e.        op grond van het bepaalde in artikel 101 lid 1, aanhef  en onder a;

2e.        wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel van de aan de vergunning verbonden voorschriften of  beperkingen waaronder zij is verleend.

b.         de bescherming van rechten van derden in het radioverkeer dit vordert; 

c.          de nakoming van de bindende verdragen die Suriname gesloten heeft of besluiten van volkenrechtelijke organisaties dit vordert.

 

5.         Een vergunning kan worden ingetrokken, indien de vergunninghouder de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen waaronder zij is verleend, niet nakomt.

 

6.         Dit artikel is niet van toepassing op radio-elektromagnetische ontvanginrichtingen welke deel uitmaken van een draadomroepinrichting.

 

7.         Ten aanzien van radio-elektromagnetische ontvanginrichtingen als bedoeld in lid 1 van dit artikel, waarvoor ingevolge lid 3, onder a van dit artikel een vergunning is vereist, zijn de artikelen 47 en 48 van overeenkomstige toepassing; indien de aanvraag om een zodanige vergunning niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 48 lid 1 vastgestelde regels kan de vergunning worden geweigerd.

 

Artikel 50        Vrijstelling

 

1.         Geen vergunning ingevolge artikel 46 of artikel 49 lid 3 onder a is vereist, indien daarvoor een vergunning is afgegeven in overeenstemming met het ITU-verdrag en deze vergunning door deTAS is erkend, voor radio-elektromagnetische zend- of ontvanginrichtingen aan boord van:

a.         andere dan Surinaamse schepen, die zich bevinden in de wateren van Suriname;

b.         andere dan Surinaamse luchtvaartuigen, die zich bevinden in het                           luchtruim of op het grondgebied van Suriname.  

 

2.         De TAS kan regels vaststellen voor het gebruik van de in lid 1 van dit artikel bedoelde radio-elektromagnetische zend- of ontvanginrichtingen.

 

 

 

 

 

 

§ 3. Draadomroepinrichtingen

 

Artikel 51        Vergunningvereiste voor een draadomroepinrichting

 

1.         Het is, anders dan krachtens concessie verboden een draadomroepinrichting aan te leggen, te ontwikkelen of te exploiteren, tenzij met vergunning van de TAS.

 

2.         Van het verbod in lid 1 van dit artikel zijn vrijgesteld de door de TAS aan te wijzen categorieën draadomroepinrichtingen van zeer geringe omvang, die voldoen aan door de Minister vast te stellen regels met betrekking tot de techniek van die inrichtingen; van een zodanige aanwijzing doet de TAS mededeling aan de Minister en de Minister belast met de zorg voor justitiële en politionele aangelegenheden.

 

3.         Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden en zij kan onder beperkingen worden verleend, die betrekking kunnen hebben op:

a.         de duur, aard en omvang van de vergunning;

b.         het aantal woningen binnen het gebied, waarvoor de vergunning wordt verleend en waarvoor de aansluitplicht geldt;

c.          de techniek, structuur en kwaliteit van de inrichting en daarmee verbonden kabelnetten;

d.         het gebruik maken van een bepaald gedeelte van de telecommunicatie-I                infrastructuur;

e.         keuring van de draadomroepinrichting en daarmee verbonden kabelnetten;

f.          een verplichte signaallevering aan andere draadomroepinrichtingen;

g.         het voorkomen dan wel opheffen van storing aan derden door het gebruik van de inrichting;

h.         eisen te stellen aan degenen die draadomroepinrichtingen installeren;

i.          de verplichting om binnen een bepaalde termijn nadat de vergunning rechtskracht heeft gekregen de draadomroepinrichting aan te leggen;

j.          de bescherming van de rechten van derden;

k.         de nakoming van de bindende verdragen die Suriname gesloten heeft en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

 

4.         Een vergunning kan, onverminderd het bepaalde in lid 7  van dit artikel, worden geweigerd, indien:

a.         een eerder verleende vergunning als bedoeld in lid 3 onder a van dit artikel, is ingetrokken:

1e.        op grond van het bepaalde in artikel 101 lid 1 onder a;

2e.        wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel van de aan de vergunning verbonden voorschriften of  beperkingen waaronder zij is verleend;

b.         de aanvrager niet over voldoende technische en financiële middelen beschikt om de continuïteit van de exploitatie van de draadomroepinrichting te waarborgen;

c.          voor het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft reeds een vergunning is verleend.

 

 

5.         Een vergunning wordt ingetrokken, indien:

a.         de  vergunninghouder daarom verzoekt;

b.         de gronden, waarop de vergunning is verleend, zijn vervallen;

c.          de  vergunninghouder de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen waaronder zij is verleend niet nakomt;

d.         de vergunninghouder niet langer over voldoende technische en financiële middelen beschikt om de continuïteit van de exploitatie van de draadomroepinrichting te waarborgen.

 

6.         Ten aanzien van draadomroepinrichtingen, waarvoor ingevolge lid 1 van dit artikel, een vergunning is vereist, is artikel 48 van overeenkomstige toepassing; indien de aanvraag om een zodanige vergunning niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 48 lid 1 vastgestelde regels, kan de vergunning worden geweigerd.

 

7.         De vergunninghouder als bedoeld in lid 1 van dit artikel is verplicht de nodige voorzieningen aan te brengen ter bescherming van de kabels, kabelwerken en apparatuur ten behoeve van radioverbindingen ten dienste van de draadomroep­inrichting tegen blikseminslag.

 

Artikel 52        Aanvullende vergunning

 

1.         Het is degene die met vergunning of krachtens vrijstelling, als bedoeld in artikel 50 lid 2 een draadomroepinrichting aanlegt, ontwikkelt of exploiteert, verboden deze te exploiteren anders dan voor het verspreiden van omroepprogramma's,  tenzij met een aanvullende vergunning van de TAS.

 

2.         Een aanvullende vergunning wordt verleend voor de exploitatie van de draadomroepinrichting als middel van transport voor andere diensten met betrekking tot telecommunicatie, met uitzondering van die tussen aangeslotenen op de draadomroepinrichting.

 

3.         Aan een aanvullende vergunning kunnen voorschriften worden verbonden en een aanvullende vergunning kan onder beperkingen worden verleend; deze kunnen betrekking hebben op:

a.         de duur, aard en omvang van de aanvullende vergunning;

            b.         het aanbrengen van technische voorzieningen;

c.          het voorkomen dan wel het opheffen van storingen aan derden door gebruik van de draadomroepinrichting;

d.         de bescherming van de rechten van derden;

e.         de nakoming van de bindende verdragen die Suriname gesloten heeft en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

 

4.         Een aanvullende vergunning wordt geweigerd, indien:

a.         een eerder verleende aanvullende vergunning als bedoeld in lid 1 van dit artikel, is ingetrokken:

1e.        op grond van het bepaalde in artikel 101 lid 1 onder a;

2e.        wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel van de aan de aanvullende vergunning verbonden voorschriften of de beperkingen waaronder zij is verleend;

b.         een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang zich tegen verlening verzet alsmede op de grond aangegeven in artikel 51 lid 4 onder b.

 

5.         Een aanvullende vergunning wordt ingetrokken, indien:

a.         de vergunninghouder daarom verzoekt;

b.         de gronden, waarop de aanvullende vergunning is verleend, zijn vervallen.

 

6.         Een  aanvullende vergunning kan worden ingetrokken, indien een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert alsmede op de gronden aangegeven in artikel 51 lid 6.

 

7.         Ten aanzien van een aanvullende vergunning als bedoeld in lid 1 van dit artikel is artikel 48 van overeenkomstige toepassing; indien de aanvraag om een zodanige aanvullende vergunning niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 48 lid 1 vastgestelde regels kan, de vergunning worden geweigerd.

 

 

§ 4. Kabelinrichtingen niet zijnde draadomroepinrichtingen

 

Artikel 53        Vergunningvereiste  voor een kabelinrichting

 

1.         Het is, anders dan krachtens concessie verboden een inrichting bestemd voor telecommunicatie door middel van kabels en kabelwerken, die geen draadomroepinrichting als bedoeld in artikel 51 is, geheel of gedeeltelijk in, op of boven openbare gronden aan te leggen, te ontwikkelen en te gebruiken,  tenzij met vergunning van de TAS.

 

2          Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden en een vergunning kan onder beperkingen worden verleend; deze kunnen betrekking hebben op:

a.         de duur, aard en omvang van de vergunning;

b.         de techniek en structuur van de inrichting;

c.          de keuring van de inrichting;

d.         het voorkomen dan wel het opheffen van storing aan derden door het gebruik van de inrichting;

e.         het voorkomen van aantasting van de doelmatigheid van de telecommunicatie-infrastructuur;

            f.          het stellen van eisen aan degenen die kabelinrichtingen installeren;

g.         de wijze van aansluiting op de telecommunicatie-infrastructuur.

 

3.         Een vergunning voor een zodanige inrichting wordt geweigerd, indien:

a.         een concessiehouder niet bereid en in staat is binnen een redelijke termijn en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een aan een zodanige inrichting gelijkwaardige voorziening  beschikbaar te stellen;

b.         anderszins een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang zich tegen het verlenen verzet.

 

4.         Een vergunning kan, onverminderd het bepaalde in lid 7 van dit artikel, worden geweigerd, indien een eerder verleende vergunning als bedoeld in lid 1 van dit artikel, is ingetrokken:

a.         op grond van het bepaalde in artikel 101 lid 1onder a;

b.         wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel van de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij is verleend.

 

5.         Een vergunning wordt ingetrokken, indien:

a.         de  vergunninghouder daarom verzoekt;

b.         de gronden, waarop de vergunning is verleend, zijn vervallen.

 

6.         Een vergunning kan worden ingetrokken, indien:

a.         een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert;

b.         de vergunninghouder die bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen waaronder deze is verleend, niet nakomt.

 

7.         Ten aanzien van een vergunning als bedoeld in lid 1 van dit artikel is artikel 48 van overeenkomstige toepassing; indien de aanvraag om een zodanige vergunning niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 47 lid 1 vastgestelde regels, kan de vergunning worden geweigerd.

 

 

§ 5. Overige bepalingen

 

Artikel 54        Koppeling via infrastructuur

 

1.         Het is degene die krachtens de paragrafen 2, 3 en 4 van dit hoofdstuk gerechtigd is een daarin bedoelde telecommunicatie-inrichting aan te leggen, te ontwikkelen, te gebruiken dan wel te exploiteren, verboden die inrichting te koppelen of te doen koppelen aan een andere zodanige inrichting, anders dan door middel van de telecommunicatie-infrastructuur.

 

2.         De TAS kan ten aanzien van een telecommunicatie-inrichting als bedoeld in de artikelen 46, 49 en 53 van het verbod in lid 1 van dit artikel ontheffing verlenen, indien  concessiehouders  niet bereid of in staat zijn binnen redelijke termijn en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een gelijkwaardige voorziening   beschikbaar  te stellen.

 

3.         In verband met het doel waarvoor een ontheffing wordt verleend, kunnen aan een ontheffing voorschriften worden verbonden en kan een ontheffing onder beperkingen worden verleend.

 

4.         Het verbod in lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op een signaallevering door een draadomroepinrichting aan andere draadomroepinrichtingen in hetzelfde gebied, indien de signaallevering krachtens artikel 51 lid 3 onder f verplicht is gesteld.

 

Artikel 55        Vergunningvereiste zend- of ontvanginrichting

 

1.         Het is verboden radio-elektromagnetische zend- of ontvanginrichtingen af te leveren, te verhuren dan wel op andere wijze ter beschikking te stellen van natuurlijke of rechtspersonen aan wie geen vergunning is verleend welke bij of krachtens deze wet is vereist voor de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van de desbetreffende zend- of ontvanginrichtingen.

 

2.         Artikel 45 is van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 van dit artikel bedoelde radio-elektromagnetische zendinrichtingen.

 

Artikel 56        Vrijstelling overheidsorganen

 

1.         Het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk is niet van toepassing op de daarin bedoelde inrichtingen bestemd voor telecommunicatie welke tot gebruik strekken van door de President, na overleg met de minister die het mede aangaat, aan te wijzen overheidsorganen of diensten, die zijn belast met de zorg voor de veiligheid van de Staat, dan wel met de handhaving van de openbare orde, aan welke aanwijzing voorschriften kunnen worden verbonden en die onder beperkingen kan worden verleend.

 

2.         De TAS kent aan de ingevolge lid 1 van dit artikel aangewezen overheidsorganen en diensten de radiofrequenties toe welke nodig zijn voor de uitvoering van de aan hen opgedragen taken; aan een zodanige toekenning kunnen voorschriften worden verbonden en een zodanige toekenning kan onder beperkingen worden verleend; voor zover daarbij niet anders is bepaald, zijn de krachtens artikel 46 lid 3 vastgestelde regels van overeenkomstige toepassing.

 

 

HOOFDSTUK 6

OMROEP

 

Artikel 57        Omroepraad

 

1.         Er is een Omroepraad, waarvan de samenstelling, werkwijze en vergoeding bij staatsbesluit worden vastgesteld.

 

2.         De Omroepraad heeft tot taak:

a.         de regering gevraagd of ongevraagd van advies te dienen in aangelegenheden de omroep betreffende;

b.         het houden van toezicht op de naleving van vergunningsvoorwaarden voor zover die betrekking hebben op de verspreiding van omroepprogramma’s, bedoeld in artikel 58;

 

3.         Met het oog op de uitvoering van de opgedragen taken stelt de Omroepraad een reglement op, waarin tevens procedureregels worden opgenomen terzake het toezicht.

 

Artikel 58        Vergunningvereiste  omroep

 

1.         Het is, anders dan krachtens vergunning ingevolge deze wet, verboden omroepprogramma’s langs welke weg dan ook vanuit enig punt in Suriname te verspreiden.

 

2.         Vergunningen als bedoeld in lid 1 van dit artikel worden verleend door de President, gehoord de Omroepraad en na advies van de TAS.

 

Artikel 59        Vergunningsvoorwaarden

 

1.         Aan een vergunning worden voorwaarden verbonden.

 

2.         Behalve de voorwaarden in elk bijzonder geval aan een vergunning te verbinden, hebben de voorwaarden in elk geval betrekking op:

a.         de omvang en aard van de vergunning;

b.         de duur van de vergunning;

c.          de gronden voor intrekking van de vergunning;

            d.         de samenwerking tussen vergunninghouders;

e.         het verstrekken van informatie aan de Omroepraad ten dienste van het toezicht overeenkomstig door de Minister vast te stellen regels.

 

3.         Een besluit tot vaststelling of wijziging van de vergunningsvoorwaarden wordt genomen met inachtneming van een bedrijfsmatige en op continuïteit gerichte exploitatie door de vergunninghouder.

 

Artikel 60        Wijzigingsvoorwaarden

 

Wijziging van de in de leden 1 en 2 van artikel 59 bedoelde vergunningsvoorwaarden wordt niet eerder van kracht dan drie maanden na de vaststelling bij resolutie, tenzij het algemeen belang zulks dringend vordert of tenzij de desbetreffende vergunninghouder instemt met een kortere termijn.

 

Artikel 61        Vergunningvergoeding

 

1.         De vergunningvergoedingen, welke aan de TAS dienen te worden betaald, bestaan uit:

a.         een eenmalige vergoeding voor de toewijzing van de vergunning;

b.         een jaarlijkse vergoeding voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels, voorschriften en beperkingen alsmede voor de uitoefening van bevoegdheden inzake de telecommunicatie door de TAS.

 

2.         De in lid 1 van dit artikel bedoelde vergoedingen worden bij beschikking vastgesteld.

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK 7

FREQUENTIEBEHEER

 

Artikel 62        Frequentieplan

 

1.         In het belang van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie en ter uitvoering van de op de Staat Suriname rustende internationale verplichtingen die voortvloeien uit het ITU-verdrag alsmede uit andere bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties, is de TAS belast met de zorg voor het beheer van het frequentiespectrum.

 

2.         Met het oog op de in lid 1 van dit artikel bedoelde zorg stelt de TAS een frequentieplan vast dat in ieder geval de verdeling van de frequentieruimte over te onderscheiden bestemmingen alsmede over categorieën van gebruik bevat.

 

3.         De toekenning van frequenties geschiedt door de TAS, die daarbij niet afwijkt van het frequentieplan; bij de toekenning van een frequentie worden het gebruik van de frequentie alsmede de tijdsduur waarvoor deze wordt toegekend, vastgesteld; in het belang van een doelmatige toekenning van frequenties kunnen aan de toekenning voorschriften worden verbonden en kan de toekenning onder beperkingen geschieden.

 

4.         Toekenning van frequenties geschiedt in het algemeen in volgorde van binnenkomst van de aanvragen en is afhankelijk van een eventuele samenloop van aanvragen; in bijzondere gevallen kan een vergelijkende toets en/of een veiling aan de orde komen; artikel 9 lid 6 is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 63        Weigeringsgronden

 

De toekenning van een frequentie wordt geweigerd, indien:

a.         de toekenning daarvan in strijd is met het frequentieplan;

b.         een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum dit vordert;

c.          de frequentie reeds in gebruik is;

d.         deze is gevraagd voor het verspreiden van omroepprogramma's en de verlening in strijd zou zijn met de bij of krachtens wet toegestane  verspreiding van omroepprogramma's;

e.         een eerdere toekenning is ingetrokken:

1e.        op grond van het bepaalde in artikel 101 lid 1 en onder e;

2e.        wegens overtreding van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel van de voorschriften die aan de toekenning waren verbonden of van de beperkingen waaronder deze was toegekend;

f.          de aanvrager niet heeft voldaan aan nog op hem rustende verplichtingen welke voortvloeien uit een eerder aan hem verleende toekenning;

g.         de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor bij of krachtens deze wet vastgestelde regels.

 

Artikel 64        Intrekkingsgronden 

 

1.         De toegekende frequentie wordt ingetrokken indien:

a.         de houder van de toegekende frequentie daarom verzoekt;

b.         de concessie of vergunning, ten behoeve waarvan de frequentie was toegekend, wordt ingetrokken;

c.          de gronden, waarop de toekenning is gebaseerd, zijn vervallen;

d.         de nakoming van bindende verdragen die Suriname gesloten heeft en besluiten van volkenrechtelijke organisaties dit vordert.

 

2.         De toegekende frequentie wordt ingetrokken indien:

a.         de houder van de toegekende frequentie niet meer voldoet aan de aan hem gestelde eisen om daarvoor in aanmerking te komen;

b.         de houder van de toegekende frequentie de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels dan wel de voorschriften die aan de toekenning zijn verbonden of de beperkingen waaronder de toekenning is geschied, niet nakomt;

c.          een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum dit vordert.

 

Artikel 65        Frequentieregister

 

De TAS houdt een frequentieregister bij, dat een overzicht bevat van de reeds in gebruik zijnde frequenties en voor welke tijdsduur deze frequenties zijn toegekend.

 

Artikel 66        Afwijking frequentieplan

 

De President is bevoegd toestemming te geven tot gebruik van frequenties in afwijking van het bij dit hoofdstuk bepaalde, indien zulks noodzakelijk is in het belang van:              

a.         beëindiging van strafbaar gedrag jegens een natuurlijke persoon;

b.         de veiligheid van de Staat.

 

Artikel 67        Regels frequentieplan

 

Bij staatsbesluit worden regels vastgesteld met betrekking tot:

a.         hetgeen bij het opstellen van het frequentieplan in aanmerking moet worden genomen;

b.         de te volgen procedures en de over te leggen bescheiden terzake de toekenning van frequenties, waaronder de wijze en volgorde van behandeling van ingediende aanvragen;

c.          de inhoud van en inzage in het frequentieregister.

 

 

HOOFDSTUK 8

RANDAPPARATUUR

 

Artikel 68        Technische eisen

 

1.         Bij of krachtens staatsbesluit worden technische eisen vastgesteld, waaraan randapparatuur of interne netwerken dienen te voldoen en worden regels vastgesteld met betrekking tot het testen van randapparatuur op conformiteit met de vastgestelde technische eisen.

 

2.         Bij of krachtens staatsbesluit worden voorts regels vastgesteld met betrekking tot:

a.         het erkennen van instellingen die randapparatuur testen ten behoeve van het toelaten van die randapparatuur voor aansluiting op de telecommunicatie-infrastructuur, alsmede met betrekking tot het toezicht op die instellingen;

b.         het afgeven van verklaringen van conformiteit voor randapparatuur;

c.          het toelaten van randapparatuur voor aansluiting op de telecommunicatie-infrastructuur en de wijze waarop kenbaar dient te worden gemaakt dat randapparatuur is toegelaten;

            d.        de keuring van een intern netwerk;

e.         het aanvragen van de onder c bedoelde toelating en de  onder d bedoelde keuring.

 

3.         Op de telecommunicatie-infrastructuur mag uitsluitend randapparatuur worden aangesloten  die daarvoor is toegelaten.

 

4.         De toelating van randapparatuur mag slechts worden geweigerd:

a.         indien bij de aanvraag niet zijn overgelegd de vereiste verklaring of verklaringen van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;

b.         indien de randapparatuur niet voldoet aan de krachtens lid 1 van dit                       artikel vastgestelde eisen en regels.

 

5.         De toelating van randapparatuur mag slechts worden ingetrokken, indien is gebleken dat deze randapparatuur:

a.         in betekenende mate afwijkt van de bij de aanvraag van de toelating overgelegde verklaring of verklaringen van conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;

b.         niet voldoet aan de krachtens lid 1 van dit artikel vastgestelde eisen en regels.

 

6.         Ten aanzien van de keuring van interne netwerken is het bepaalde in lid 4 onder b en lid 5 onder b van  dit artikel van overeenkomstige toepassing.

 

7.         Het is verboden in de uitoefening van een beroep of bedrijf randapparatuur op of bestemd voor de Surinaamse markt te verkopen, te verhuren of op andere wijze  beschikbaar te stellen, in voorraad te hebben, ten verkoop of te huur aan te bieden dan wel af te leveren, indien van de randapparatuur niet op de bij staatsbesluit voorgeschreven wijze kenbaar is dat deze is toegelaten.

8.         Het beroeps- of bedrijfsmatig aanleggen en onderhouden van randapparatuur is slechts toegestaan met inachtneming van de bij of krachtens staatsbesluit vast te stellen regels met betrekking tot de vakbekwaamheid.

 

 

 

 

HOOFDSTUK 9

ELEKTROMAGNETISCHE COMPATIBILITEIT

 

Artikel 69        Elektromagnetische compatibiliteit

 

1.         Bij of krachtens staatsbesluit kunnen ten aanzien van elektrische of  elektromagnetische inrichtingen, regels worden vastgesteld met betrekking tot het voorkomen van en bestand zijn tegen elektromagnetische storingen.

 

2.         Het is verboden inrichtingen als bedoeld in lid 1 van dit artikel op of bestemd voor de Surinaamse markt, te vervaardigen, in te voeren, te verkopen, te verhuren of op andere wijze beschikbaar te stellen, in voorraad te hebben, ten verkoop of te huur aan te bieden dan wel af te leveren, of in te voeren indien, deze niet voldoen aan de technische eisen, welke zijn opgenomen in de in lid 1 van dit artikel bedoelde regels.

 

 

HOOFDSTUK 10

BEPALINGEN INZAKE DE GEDOOGPLICHT VOOR DE AANLEG, INSTANDHOUDING EN OPRUIMING VAN KABELS EN KABELWERKEN, BEHORENDE TOT DE TELECOMMUNICATIE-INFRASTRUCTUUR

 

Artikel 70        Algemeen

 

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden kabelwerken met kabels gelijkgesteld.

 

Artikel 71        Algemene gedoogplicht

 

1.         Een ieder is, behoudens het bepaalde in artikel 72 en onverminderd het recht op schadevergoeding, verplicht de aanleg en de instandhouding van kabels ten dienste van de telecommunicatie-infrastructuur in en op openbare gronden, alsmede de opruiming daarvan, te gedogen.

 

2.         Deze verplichting strekt zich wat betreft de kabels bestemd voor langeafstandscommunicatie tevens uit tot alle andere gronden, uitgezonderd afgesloten tuinen en erven die met bewoonde percelen één geheel vormen.

 

3.         Door de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels wordt geen verandering in de bestemming en zo min mogelijk belemmering in het gebruik van de gronden gebracht.

 

Artikel 72        Overeenstemming met gedoogplichtige

 

1.         Indien een concessiehouder of vergunninghouder het voornemen heeft werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels, bedoeld in artikel 71 lid 2,  streeft hij naar overeenstemming met degene op wie een gedoogplicht rust over de plaats en wijze van uitvoering van het werk.

 

2.         Bij gebreke van overeenstemming stelt de desbetreffende concessiehouder degene op wie de gedoogplicht rust, onverwijld schriftelijk in kennis van de voorgenomen plaats en wijze van uitvoering van het werk; bij  degene op wie een gedoogplicht rust kan binnen veertien dagen na ontvangst van die kennisgeving een bezwaarschrift indienen bij de TAS.

 

3.         De TAS neemt, gehoord partijen, binnen twee maanden na ontvangst van het bezwaarschrift een met redenen omklede beslissing.

 

4.         Het bezwaarschrift schorst de uitvoering van het voornemen.

 

Artikel 73        Schadevergoeding

 

De in artikel 71 bedoelde schadevergoeding is bedoeld voor eigenaren en beheerders van openbare gronden en beperkt zich tot de vergoeding van de kosten der voorzieningen en van de meerdere kosten van onderhoud.

 

Artikel 74        Bijzondere gedoogplicht

 

1.         Onverminderd het bepaalde bij artikel 71 en onverminderd het recht op schadevergoeding, is een ieder verplicht ten dienste van de telecommunicatie-infrastructuur te gedogen dat:

a.         kabels boven gronden, gebouwen en wateren worden aangelegd en in stand gehouden, op voorwaarde dat er geen aanhechting of aanraking plaatsvindt;

b.         in en aan gebouwen, alsmede in en op gronden die daarmee één geheel vormen, kabels en aansluitpunten worden aangelegd en in stand gehouden ten behoeve van aansluitingen in die gebouwen en in naburige gebouwen;

c.          de onder a en b van dit artikel bedoelde kabels worden opgeruimd.

 

2.         Door de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels wordt geen verandering teweeg gebracht in de bestemming van hetgeen waarin, waarop of waarboven de kabels zijn of worden aangelegd alsmede zo min mogelijk veranderiing aan het uiterlijk en zo min mogelijk belemmering in het gebruik ervan.

 

3.         Op de aanleg van kabels ingevolge dit artikel is het bepaalde bij artikel 72 niet van toepassing.

 

Artikel 75        Eigendom

 

1.         De aanleg van kabels en aansluitpunten door een concessiehouder in en op gronden, alsmede in en aan gebouwen van anderen, brengt geen wijziging in de eigendom van hetgeen is aangelegd.

 

2.         Lid 1 van dit artikel is mede van toepassing op kabels en aansluitpunten die zijn aangelegd vóór het tijdstip waarop deze bepaling in werking treedt.

 

Artikel 76        Verplaatsing

 

1.         Elke concessiehouder of vergunninghouder is verplicht op eigen kosten tot verplaatsing van kabels ten dienste van de telecommunicatie-infrastructuur over te gaan, indien deze verplaatsing nodig is voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege degene op wie een gedoogplicht rust.

 

2.         In andere gevallen dan in lid 1 van dit artikel bedoeld, gaat de concessiehouder of vergunninghouder slechts tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplaatsing over, indien de verzoeker hem de kosten daarvan vergoedt.

 

3.         Bij het ontbreken van overeenstemming over de kosten zijn artikel 72 leden 2 en 3 van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 77        Inkorten beplantingen

 

1.         Rechthebbenden ten aanzien van bomen of beplantingen zijn, behoudens het recht op schadevergoeding, verplicht deze op verzoek van een concessiehouder of vergunninghouder te snoeien dan wel de wortels of takken daarvan in te korten, voor zover deze als een hinder ondervonden worden bij het aanleggen, onderhouden en exploiteren van de telecommunicatie infrastructuur.

 

2.         Indien de rechthebbende niet binnen veertien dagen na ontvangst van een schriftelijke kennisgeving aan zijn verplichting voldoet, kan op schriftelijke last van de TAS daaraan door de desbetreffende concessiehouder of vergunninghouder uitvoering worden gegeven.

 

3.         In geval van ernstige belemmering of storing van de telecommunicatie kan onmiddellijk tot het opsnoeien dan wel inkorten van wortels of takken worden overgegaan, waarna zo spoedig mogelijk hiervan schriftelijk aan de rechthebbende wordt kennisgegeven.

 

Artikel 78        Bevoegde rechter

 

1.         De eis tot schadevergoeding, bedoeld in de artikelen 71, 74 en 77 wordt, onafhankelijk van hetgeen gevorderd wordt, aanhangig gemaakt bij de kantonrechter in wiens rechtsgebied de onroerende zaak waaraan de schade wordt toegebracht, is gelegen.

 

2.         Indien de onroerende zaak in meer dan één kanton is gelegen, wordt de eis aanhangig gemaakt bij één van de kantonrechters, zulks ter keuze van de eiser.

 

3.         Tegen de uitspraak van de kantonrechter staat hoger beroep open.

 

4.         De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn op de gedingen, bedoeld in dit artikel, van toepassing voor zover daarvan in de leden 1 en 2 van dit artikel niet is afgeweken.

 

5.         Ook voordat omtrent de schadevergoeding overeenstemming verkregen of uitspraak gedaan is, kan tot de uitvoering van de in de artikelen 71, 74 en 77 bedoelde werkzaamheden worden overgegaan.

 

Artikel 79        Toegang tot percelen

 

1.         Ten behoeve van de werkzaamheden voor de aanleg,  instandhouding en  opruiming van kabels en aansluitpunten ten dienste van de telecommunicatie-infrastructuur, hebben de hiermee belaste personen te allen tijde toegang tot de percelen, voor zover de betreding daarvan ter vervulling van hun taak redelijkerwijs noodzakelijk is.

 

2.       Is voor de toegang, bedoeld in lid 1 van dit artikel, het betreden van een woning vereist, dan treden de personen, bedoeld in lid 1 van dit artikel, tegen de wil van de bewoner niet binnen dan onder begeleiding van een hulpofficier van justitie of voorzien van een bijzondere schriftelijke last van een hulpofficier van justitie.

 

3.       In geval er schade wordt veroorzaakt bij de uitvoering van de in lid 1 van dit artikel genoemde werkzaamheden zal deze moeten worden vergoed.

 

Artikel 80        Draadomroepinrichtingen

 

De artikelen 70 tot en met 79 zijn van overeenkomstige toepassing op de  vergunninghouders van een draadomroepinrichting, met dien verstande dat in de artikelen 71 lid 1, 74 lid 1, 77 lid 1 en 79 lid 1 het begrip "telecommunicatie-infrastructuur" wordt vervangen door: draadomroepinrichting.

 

 

HOOFDSTUK 11

VERGOEDINGEN

 

Artikel 81        Vergoedingen TAS 

 

1.         Aan de TAS is een vergoeding verschuldigd voor:

a.         de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 46 lid 1, artikel 49 lid 3 onder a, artikel 51 lid 1 en artikel 53 lid 1, en een aanvullende vergunning als bedoeld in artikel  52 lid 1, alsmede voor het verkrijgen van de bevoegdheid tot bediening van radio-elektromagnetische zendinrichtingen, bedoeld in artikel 46 lid 5 onder b, en het toezicht op de naleving door de  vergunninghouder van de bij of krachtens deze wet gegeven regels, voorschriften en beperkingen;

 

b.         de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 47 lid 2 en het toezicht op de naleving van een zodanige ontheffing;

c.          de behandeling van een verzoek om en de toekenning  en het gebruik van een frequentie;

d.         de behandeling van een verzoek om en de toekenning of reservering van een nummer;

e.         de kosten van bemoeiingen met betrekking tot:

1e.        de keuring van radio-elektromagnetische inrichtingen, bedoeld in artikel 46 lid 5 onder e;

2e.        de keuring van draadomroep- en kabelinrichtingen, bedoeld in artikel 51 lid 3 onder e, onderscheidenlijk artikel 53 lid 2 onder c, alsmede van daarmee verbonden kabelnetten;

3e.        de toelating van randapparatuur, bedoeld in artikel 68 lid 2 onder c, alsmede de keuring van interne netwerken, bedoeld in artikel 68 lid 2 onder d;

4e.        het toezicht op de naleving van de met betrekking tot de onder  1e, 2e en 3e bedoelde keuringen en toelating vastgestelde regels.

f.          de kosten van de behandeling van klachten over storing of belemmering als bedoeld in artikel 46 lid 5 onder d, artikel 49 lid 2, artikel 51 lid 3 onder g, artikel 53 lid  2 onder d en artikel 69 lid 1;

g.         een erkenning als bedoeld in artikel 68 lid 2 onder a, welke vergoeding verschuldigd is voor de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot het verlenen van de erkenning en het toezicht op de naleving door een erkende instantie van de bij of krachtens deze wet met betrekking tot de erkenning gegeven regels, behoudens in geval de erkenning niet op verzoek doch eigener beweging door de TAS geschiedt en deze testinstelling niet in Suriname is gevestigd;

h.         het verrichten van werkzaamheden de telecommunicatie betreffende door de TAS ten behoeve van derden voor zover in deze wet daarin niet uitdrukkelijk is voorzien.

 

2.         De beslissing, bedoeld in lid 1 onder c van dit artikel, wordt binnen dertig dagen  nadat de TAS over het volledig dossier beschikt, genomen.

 

3.         De door de TAS ingevolge lid 1 van dit artikel vastgestelde vergoedingen worden bekendgemaakt door plaatsing in het Advertentieblad van de Republiek Suriname.

 

 

HOOFDSTUK 12

BEROEP

 

Artikel 82        Beroep tegen besluiten

 

1.         Degene die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen door een op grond vandeze wet genomen besluit, dat geen algemeen verbindende regels bevat, met uitzondering van die welke betrekking hebben op een aanwijzing van overheidsorganen of diensten als bedoeld in artikel 56, kan daartegen binnen twee maanden na de datum van toezending van het genomen besluit, beroep instellen bij de kantonrechter.

 

2.         Tegen de uitspraak van de kantonrechter staat hoger beroep open.

 

 

 

 

Artikel 83        Bezwaarschriften

 

1.         In geval van een bezwaarschrift als bedoeld in de artikelen 72 lid 2 en 76 voor zover daarin artikel 72 leden 2 en 3 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, wordt het in de volgende leden bepaalde in acht genomen.

 

2.         De TAS stelt de indiener van het bezwaarschrift, alsmede anderen die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belang worden getroffen, in de gelegenheid te worden gehoord, desgewenst vergezeld van een raadsman.

 

3.         De TAS stelt nadere regels vast terzake de op de behandeling van het bezwaarschrift betrekking hebbende procedure.

 

HOOFDSTUK 13

TOEZICHT

 

Artikel 84        Toezicht bij de TAS

 

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde is belast de TAS.

 

Artikel 85        Bestuursdwang

 

1.         De TAS heeft de bevoegdheid tot het doen wegnemen, beletten, verrichten en in de vorige toestand herstellen van hetgeen in strijd met de vastgestelde regels of met ingevolge die regels opgelegde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden, nagelaten of weggenomen, desnoods met behulp van de sterke arm; in geval de bijstand van de sterke arm  wordt ingeroepen geeft de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie daartoe, op vordering van de TAS, de nodige bevelen. 

 

2.         De overtreder is de kosten, verbonden aan de toepassing van lid 1 van dit artikel, verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijs niet te zijner laste behoren te komen.

 

3.         De TAS kan van de overtreder bij dwangbevel de ingevolge in lid 2 van dit artikel bedoelde verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen.

 

4.         Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en  levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5.         Gedurende zes weken na betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door het aanhangig maken van een daarop gericht geding bij de Kantonrechter.

 

6.         Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

 

7.         Op verzoek van de TAS kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Artikel 86        Last onder dwangsom

 

1.         De TAS kan in plaats van bestuursdwang als bedoeld in artikel 85 in de gevallen waarin op grond van artikel 85 lid 1 bestuursdwang kan worden uitgeoefend, een last onder dwangsom opleggen; voor het opleggen van een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het gelaedeerde belang zich daartegen verzet.

 

2.         De dwangsom bedraagt ten hoogste vijf duizend Surinaamse Dollars per dag en komt toe aan de TAS.

 

3.         De TAS kan het bedrag van de dwangsom, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, bij dwangbevel invorderen; artikel 85 leden 4 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 87        Zendverbod

 

1.         Indien niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels ten aanzien van de aanleg, het aanwezig hebben of het gebruik van een radio-elektromagnetische zendinrichting, is de TAS bevoegd om aan de houder van desbetreffende zendinrichting:

a.         een geheel of gedeeltelijk zendverbod op te leggen;

b.         de inrichting op kosten van de houder van de inrichting te doen verzegelen en in bewaring te doen nemen.

 

2.         De houder van een telecommunicatie-inrichting ten aanzien waarvan een dwangmaatregel als bedoeld in lid 1 onder a of b van dit artikel is genoemd, is verplicht deze dwangmaatregel na te leven dan wel te gedogen.

 

Artikel 88        Administratieve boete

 

1.         In geval van overtreding van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels kan de TAS, na de betrokkene eerst schriftelijk in gebreke te hebben gesteld, een administratieve boete opleggen van ten hoogste vijftigduizend Surinaamse Dollars.

 

2.         De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt vijf jaar na vaststelling door de TAS van de overtreding.

 

3.         De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt voorts,  indien terzake de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 27 van de Wet Economische Delicten.

 

4.         Het recht tot strafvordering vervalt,  indien de TAS aan de betrokkene terzake  hetzelfde feit reeds een boete heeft opgelegd.

 

 

 

Artikel 89        Toezichthoudende functionarissen

 

1.         De toezichthoudende taken worden uitgeoefend door daartoe door de Directeur aangewezen functionarissen van de TAS in overleg met de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie.

 

2.         De Directeur  verschaft de door hem/haar aangewezen functionarissen, bedoeld in lid 1 van dit artikel, een legitimatiebewijs waaruit hun bevoegdheid tot het houden van toezicht blijkt.

 

3.         De in lid 1 van dit artikel bedoelde functionarissen tonen op verzoek van belanghebbenden bij de uitoefening van hun taak hun legitimatiebewijs.

 

Artikel 90        Inlichtingen

 

1.         De in artikel 89 bedoelde functionarissen zijn bevoegd inlichtingen te vragen die zij voor de vervulling van hun taak nodig achten.

 

2.         Degenen die een beroep uitoefenen of in een bedrijf werkzaam zijn, zijn verplicht de hun in die hoedanigheid gevraagde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken.

 

3.         Degenen die uit hoofde van hun beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.

 

Artikel 91        Inzage boeken

 

1.         De in artikel 89 bedoelde functionarissen zijn bevoegd:

a.         kennisneming te vorderen van boeken en andere zakelijke bescheiden en van gegevens die langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van hun taak;

b.         voor korte tijd afgifte van bescheiden en gegevens te vorderen, dan wel vastlegging en afgifte van de vastlegging voor het maken van afschriften te vorderen.

 

2.         Degenen die gehouden zijn te beschikken over bescheiden en gegevens als bedoeld in lid 1 van dit artikel, kunnen zich niet beroepen op de afwezigheid ervan, tenzij zij kunnen aantonen dat zij er niet over kunnen beschikken.

 

3.         Degenen die uit hoofde van hun beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het bieden van kennisneming doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.

 

Artikel 92        Toegang locaties

 

1.         De in artikel 89 bedoelde functionarissen hebben toegang tot elke plaats, niet zijnde een woning, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van hun taak, waarbij zij zich zonodig toegang verschaffen met behulp van de sterke arm.

 

2.         De in artikel 89 bedoelde functionarissen zijn bevoegd zich te doen vergezellen van door hen aangewezen personen.

 

Artikel 93        Toegang tot woningen

 

1.         De in artikel 89 bedoelde functionarissen hebben toegang tot woningen en tot woning dienende gedeelten van vaartuigen waarin, naar zij redelijkerwijs kunnen veronderstellen, handelingen worden verricht waarop het bij en krachtens deze wet bepaalde van toepassing is, voor zover het binnentreden redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van hun taak.

 

2.        Een woning treden zij echter tegen de wil van de bewoner niet binnen zonder vergezeld te zijn van een hulpofficier van justitie of van een door het Openbaar Ministerie afgegeven bijzondere schriftelijke last tot binnentreding.

 

Artikel 94        Medewerking

 

1.         Een ieder is verplicht aan de in artikel 89 bedoelde functionarissen alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is bij de uitoefening van hun bevoegdheden.

 

2.         Bij het verlenen van medewerking is een ieder gehouden de aanwijzingen van de genoemde functionarissen te volgen en hun de benodigde bijstand en hulpmiddelen kosteloos te verstrekken, bij gebreke waarvan deze functionarissen op kosten van de betrokkene in het nodige kunnen voorzien.

 

Artikel 95        Zwijgrecht

 

Indien de in artikel 89 bedoelde functionarissen beschikken over een redelijk vermoeden dat een natuurlijke of rechtspersoon een overtreding heeft begaan, is deze niet verplicht terzake een verklaring af te leggen; deze persoon wordt hiervan in kennis gesteld, voordat hem mondeling terzake om informatie wordt gevraagd.

 

HOOFDSTUK 14

BIJZONDERE BEPALINGEN

 

Artikel 96        Toegang tot diensten

 

Het is aan een ieder toegestaan van de krachtens artikel 14 lid 1  aan een concessiehouder opgedragen diensten, met inachtneming van de hieromtrent vast te stellen bepalingen, gebruik te maken; nochtans kan een opgedragen dienst worden geweigerd of gestuit, wanneer de inhoud in strijd wordt geacht met de veiligheid van de Staat of de openbare orde; van de reden van de weigering of stuiting wordt kennis gegeven aan de opdrachtgever; de beslissing van de President kan te dezer zake worden ingeroepen.

 

Artikel 97        Wederrechtelijke bevoordeling

 

Het is verboden, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door een technische ingreep te bewerkstelligen dat een dienst met gebruikmaking van de telecommunicatie-infrastructuur of een draadomroepinrichting als bedoeld in artikel 51 wordt verricht.

 

Artikel 98        Toezicht President

 

Het internationale telecommunicatieverkeer en het nationale telecommunicatieverkeer kunnen door de President in het belang van de openbare orde of nationale veiligheid gedurende onbepaalde tijd onder toezicht worden geplaatst van een door hem aangewezen staatsorgaan of geheel of gedeeltelijk worden geschorst; zodra de feiten of omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gegeven niet meer bestaan, wordt dat toezicht of die schorsing opgeheven, zulks te zijner beoordeling en beslissing; deze maatregel geeft geen aanleiding tot enige vergoeding.

 

Artikel 99        Beheer President

 

In geval van staat van oorlog of beleg kunnen het internationale telecommunicatieverkeer en het nationale  telecommunicatieverkeer onder beheer van de President worden geplaatst.

Artikel 100      Aanwijzingen Minister

In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen, is elke concessiehouder verplicht de aanwijzingen van de Minister in overeenstemming met de Minister belast met buitenlandse aangelegenheden met betrekking tot de verzorging van de telecommunicatie van en naar het buitenland op te volgen.

 

 

HOOFDSTUK 15

OVERIGE BEPALINGEN

 

Artikel 101      Intrekking vergunningen

 

1.         De Minister, handelende in overeenstemming met de Minister belast met justitiële en politionele aangelegenheden, kan de TAS opdragen over te gaan tot intrekking van een ingevolge deze wet:

a.         verleende vergunning als bedoeld in artikel 46 lid 1, artikel 49 lid 3 onder a, artikel 51 lid 1 en artikel 53 lid 1;

b.         verleende aanvullende vergunning als bedoeld in artikel 52 lid 1;

            c.          verleende ontheffing als bedoeld in artikel 47 lid 2;

            d.         toegekend of gereserveerd nummer als bedoeld in artikel 24 lid 3;

            e.         toegekende frequentie als bedoeld in artikel 62 lid 3.

            indien naar hun oordeel de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van die

vergunning, aanvullende vergunning, ontheffing dan wel het gebruik van die frequentie of dat nummer gevaar zal opleveren voor de nationale veiligheid van de Staat of de openbare orde.

 

2.         De TAS is gehouden een ingevolge lid 1 van dit artikel gegeven opdracht onverwijld uit te voeren.

 

Artikel 102      Nummeridentificatie

 

De artikelen 30 en 31 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanbieder van openbare telecommunicatiediensten die:

a.         gebruik maakt van de telecommunicatie-infrastructuur van een concessiehouder die ingevolge artikel 30 lid 1 gehouden is tot aanbieding van de dienst van nummeridentificatie;

b.         als onderdeel van de door hem te bieden diensten nummeridentificatie aanbiedt.

 

Artikel 103      Aftappen

 

1.         De artikelen 33 tot en met 35 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanbieders van openbare telecommunicatiediensten.

 

2.         De artikelen 33 tot en met 35 kunnen door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de aanbieders van niet-openbare telecommunicatie-infrastructuur en niet-openbare telecommunicatiediensten, indien deze feitelijk voor derden openstaan.

 

Artikel 104      Geheimhoudingsplicht

 

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift  terzake die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

 

HOOFDSTUK 16

STRAFBEPALINGEN

 

Artikel 105      Concessie

 

Degene die zonder een daartoe strekkende  concessie telecommunicatie-infrastructuur aanlegt, ontwikkelt en exploiteert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of een geldboete van ten hoogste vijftien miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

Artikel 106      Call back, publieke telefoon, telefoonlijsten

 

Degene die het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste tien miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

Artikel 107      Diensten die internationale werking hebben

 

Degene die het bepaalde in artikel  18 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste tien miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

Artikel 108      Afwijking nummerplan, aftapverbod

 

Degene die het bepaalde in de artikelen  29 en 32 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van ten hoogste twaalf miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

Artikel 109      Radio-elektromagnetische zend- en ontvanginrichtingen

 

1.         Degene die zonder concessie of een door de TAS afgegeven vergunning radio-elektromagnetische zendinrichtingen aanlegt, aanwezig heeft of gebruikt dan wel exploiteert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste tien miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

2.         Degene die het bepaalde in artikel 46 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste  twee jaren of een geldboete van ten hoogste acht miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

3.         Degene die het bepaalde in artikel 54 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste tien miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

Artikel 110      Draadomroepinrichting

 

1.         Degene die zonder concessie of een door de TAS afgegeven vergunning een draadomroepinrichting aanlegt, aanwezig heeft of gebruikt dan wel exploiteert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste tien miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

2.         Degene die het bepaalde in artikel 51 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste acht miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

3.         Degene die het bepaalde in artikel 97 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste tien miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

Artikel 111      Kabelinrichting

 

Degene die het bepaalde in artikel 53 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste tien miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

Artikel 112      Koppeling infrastructuur, randapparatuur,  elektromagnetische compatibiliteit

 

Degene die het bepaalde in de artikelen  54, 55, 68 en 69 overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste acht miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

Artikel 113 Omroep

 

Degene die zonder vergunning omroepprogramma’s langs welke weg dan ook vanuit enig punt in Suriname verspreidt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van ten hoogste tien miljoen Surinaamse Dollars of een combinatie van beide straffen.

 

Artikel 114      Opgedragen diensten

 

De concessiehouder die nalaat de diensten als bedoeld in artikel 14 te verzorgen, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste twintig duizend Surinaamse Dollars.

 

Artikel 115      Interconnectie

 

De concessiehouder die nalaat de handelingen als bedoeld in de artikelen 11 en 12 te verlenen, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste vijftig duizend Surinaamse Dollars.

 

Artikel 116      Alarmnummers, aftapbaarheid, beveiliging

 

De concessiehouder die nalaat de handelingen als bedoeld in de artikelen 31, 33, 34 en 35 te verrichten, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste vijf en zeventig duizend Surinaamse Dollars.

 

Artikel 117      Internationale verplichtingen

 

De concessiehouder die nalaat de verplichtingen als bedoeld in artikel  36 na te komen, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste twintig duizend Surinaamse Dollars.

 

Artikel 118      Blikseminslag

 

De concessiehouder die nalaat de nodige voorzieningen aan te brengen ter bescherming van de telecommunicatie-infrastructuur tegen blikseminslag, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste veertig duizend Surinaamse Dollars.

 

Artikel 119      Geheimhoudingsplicht

 

Degene die het bepaalde in artikel  104 overtreedt, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste vijf en zeventig duizend Surinaamse Dollars.

 

 

 

Artikel 120      Kwalificatie strafbare feiten

 

1.         De in de artikelen 105 tot en met 113 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

 

2.         De in de artikelen 114 tot en met 119 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

 

Artikel 121      Strafbaarstelling rechtspersoon

 

1.         Indien een feit bij deze wet strafbaar gesteld, begaan wordt door  of vanwege een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in deze wet voorziene straffen en maatregelen, indien deze daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken tegen:

a.         die rechtspersoon;

b.         de in Suriname gevestigde leden van het bestuur en bij ontstentenis of belet van die leden tegen de vertegenwoordiger van de rehtspersoon in Suriname;

c.          degenen die tot het begaan van het feit opdracht hebben gegeven, alsmede degenen die feitelijk leiding aan de verboden gedraging hebben gegeven, of de onder a,  b en c genoemden tezamen.

 

2.         Een strafbaar feit wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon, indien het begaan wordt door personen die, hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde, handelen in de sfeer van die rechtspersoon, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het strafbare feit hebben begaan dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.

 

3.         Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door één van de bestuurders, in persoon of bij gemachtigde; de rechter kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen.

 

4.         Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, geschiedt de uitreiking van gerechtelijke mededelingen aan de plaats waar het bestuur zitting of kantoor houdt of aan de woonplaats van de hoofdbestuurder of een andere bestuurder; in geval de uitreiking betreft een gerechtelijk schrijven als bedoeld in artikel 515 van het Wetboek van Strafvordering, dan is artikel 517 leden 2 en 3 van dat Wetboek van overeenkomstige toepassing.

 

5.         Het bepaalde in dit artikel is mede van toepassing op de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, enige andere vereniging van personen en het doelvermogen; geen straf wordt uitgesproken tegen het lid van het bestuur of tegen de vertegenwoordiger, van wie blijkt dat het feit buiten zijn toedoen is gepleegd.

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK 17

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 122

 

De publiekrechtelijke bevoegdheden die ingevolge het Decreet Telecommunicatiebedrijf Suriname (S.B. 1980 no.140, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2002 no. 63) aan Telesur zijn opgedragen alsook alle overige publiekrechtelijke taken die door TELESUR worden vervuld, worden met ingang van de datum van de inwerkingtreding van deze Wet toebedeeld aan de TAS.

 

Artikel 123      Intrekking

 

Bij de inwerkingtreding van deze wet worden ingetrokken:

a.         de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 (G.B. 1945 no. 113, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1983 no. 54);

b.         het Staatsbesluit van 26 maart 1998, houdende instelling van de Telecommunicatie Autoriteit Suriname (S.B. 1998 no. 32);

c.          artikel 5 van het Decreet Telecommunicatiebedrijf Suriname (S.B. 1980 no. 140, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2002 no. 63).

 

Artikel 124      Uitvoeringsregelingen

 

De regels die zijn vastgesteld krachtens de desbetreffende bepalingen van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 worden aangemerkt als regels die zijn vastgesteld krachtens de overeenkomstige bepalingen van deze wet, zolang de desbetreffende krachtens deze wet te stellen uitvoeringsregelgeving nog niet is vastgesteld en in werking getreden.

 

Artikel 125      Vergunningen

1.         Vergunningen die krachtens artikel 6 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 zijn verleend voor de verspreiding van omroepprogramma’s, worden aangemerkt als vergunningen die zijn verleend krachtens artikel 58 van deze wet.

 

2.         Vergunningen die op grond van artikel 3 lid 1 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 zijn verleend voor de aanleg, het in bezit of in gebruik hebben van een radiotelegraaf of -telefoon, worden aangemerkt als vergunningen die zijn verleend krachtens artikel 46 van deze wet.

 

3.         Voor zover in voorschriften verbonden aan een vergunning als bedoeld in lid 2 van dit artikel, toestemming is gegeven voor een vorm van telecommunicatie als bedoeld in artikel 47 lid 1 van deze wet, wordt deze toestemming aangemerkt als een ontheffing als bedoeld in artikel 47 lid 2 van deze wet.

 

4.         Het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel geldt ten aanzien van de daarin bedoelde inrichtingen uitsluitend voor de voorschriften en beperkingen met betrekking tot de duur, de omvang, het gebruik en de technische eisen waaronder de vergunningen voor deze inrichtingen zijn verleend op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

 

Artikel 126      Overdracht vermogensbestanddelen

 

1.         De Minister bepaalt in overeenstemming met de Minister belast met de  zorg voor financiële aangelegenheden, welke vermogensbestanddelen van de Staat die aan Telesur zijn toegekend met betrekking tot de uitoefening van de aan haar opgedragen publieke bevoegdheden, worden toebedeeld aan de TAS.

 

2.         De vermogensbestanddelen van de Stichting Fonds Telecommunicatie worden bij de inwerkingtreding van deze wet overgeheveld naar een bankrekening van de TAS.

 

Artikel 127      Overgang personeel

 

1.         Met ingang van de datum van inwerktreding van deze wet zijn de personeelsleden van Telesur van wie naam en functie zijn vermeld op een door de Minister vastgestelde lijst, na overleg met en instemming van het desbetreffend personeel van rechtswege ontslagen en aangesteld als medewerker in dienst van de TAS.

 

2.         De overgang van de in lid 1 van dit artikel bedoelde personeelsleden vindt plaats met een rechtspositie die als geheel ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij Telesur, met inachtneming van een overgangsperiode van zes maanden.

 

3.         De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot het personeel van Telesur, waarvan naam en functie zijn vermeld op een door de Minister vastgestelde lijst, zijn met ingang van dat tijdstip ontslagen en aangesteld in dienst van de TAS met een rechtspositie die in totaliteit tenminste gelijkwaardig is aan die welke voor hen gold bij Telesur.

 

4.         De Ambtenarenpensioenwet (S.B. 1972 no. 150) is van overeenkomstige toepassing op de directie en het  personeel van de TAS.

 

Artikel 128      Archiefbescheiden

 

Archiefbescheiden van de afdelingen van Telesur met publiekrechtelijke taken belast, worden  met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet overgedragen aan de TAS.

 

Artikel 129      Beroep

 

1.         Ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een besluit dat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen ingevolge de Telegraaf- en Telefoonwet 1945, blijft het recht zoals dat gold ingevolge de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 van toepassing.

 

2.         Ten aanzien van beroep dat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ingesteld tegen een ingevolge de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 genomen besluit, blijft het recht zoals dat gold ingevolge de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 van toepassing.

 

3.         Ten aanzien van beroep dat overeenkomstig lid 1 van dit artikel op of na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ingesteld tegen een ingevolge de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 genomen besluit, blijft het recht zoals dat gold ingevolge de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 van toepassing.

 

Artikel 130      Algemene delegatiebepaling

 

Onverminderd de bepalingen van deze wet waarin een staatsbesluit is voorgeschreven, kunnen omtrent de in deze wet geregelde onderwerpen, nadere regels bij of krachtens staatsbesluit worden vastgesteld.

 

Artikel 131      Slotbepaling

 

1.         Deze wet kan worden aangehaald als: Wet Telecommunicatievoorzieningen.

 

2.         Zij wordt in het Staatsblad van de Republiek Suriname afgekondigd.

 

3.         Zij treedt op een door de President te bepalen tijdstip in werking.

 

4.         De Minister belast met de zorg voor het communicatiewezen is belast met de uitvoering van deze wet.

 

 

 

 

Gegeven te Paramaribo, de 11e november 2004, 

De President van de Republiek Suriname, 

drs. R.R. Venetiaan

 

Afgegeven te Paramaribo, de 15e december 2004, 

De Minister van Binnenlandse Zaken, 

U.Joella-Sewnandan