Inhoudsopgave

I. Algemene beschouwingen
Hoofdstuk 1
Algemeen
§ 1. Inleiding

§ 2. De ontwikkelingen in de telecommunicatie nader bezien
§ 3. Noodzaak tot wijziging van de huidige regeling

Hoofdstuk 2
Hoofdlijnen van de wet
§ 1. De kern van de wet

§ 2. Andere van belang zijnde elementen
§ 3. Nieuwe elementen
§ 4. Nieuwe structuur in de wet
5. Omroep

II. Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2
Telecommunicatie Autoriteit Suriname

Hoofdstuk 3
Telecommunicatie-infrastructuur en diensten
§ 1. Concessie

§ 2. Interconnectie
§ 3 Diensten
§ 4. Concessievoorwaarden

§ 5. Nummerbeheer
§ 6. Nummeridentificatie
§ 7. Bevoegd aftappen
§ 8. Overige bepalingen
Hoofdstuk 4
Universele Dienstverlening

Hoofdstuk 5
Telecommunicatie-inrichtingen van bijzondere aard of beperkte omvang

§ 2. Radio-elektromagnetische zend- en ontvanginrichtingen
§ 3. Draadomroepinrichtingen
§ 4. Kabelinrichtingen niet zijnde draadomroepinrichtingen
§ 5. Overige bepalingen
Hoofdstuk 6
Omroep

Hoofdstuk 7 Frequentiebeheer
Hoofdstuk 8
Randapparatuur

Hoofdstuk 9
Elektromagnetische Compatibiliteit

Hoofdstuk 10
Bepalingen inzake de gedoogplicht voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en kabelwerken, behorende tot de telecommunicatie-infrastructuur

Hoofdstuk 11
Vergoedingen

Hoofdstuk 12
Beroep

Hoofdstuk 13
Toezicht

Hoofdstuk 14
Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 15
Overige bepalingen

Hoofdstuk 17
Overgangs- en slotbepalingen


 

WET van 11 november 2004

houdende  regels met betrekking tot

voorzieningen voor telecommunicatie

(Wet Telecommunicatievoorzieningen)

-------------------------------------------------

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

I. Algemene beschouwingen

Hoofdstuk 1

Algemeen

§ 1. Inleiding

Eén van de belangrijkste bouwstenen van de hedendaagse samenleving in het bijzonder voor wat betreft de economische ontwikkeling is de telecommunicatie. Dat geldt voor elke samenleving en dus ook voor de Surinaamse. Voor de regulering van de telecommunicatie is ons land tot op dit moment aangewezen op de met ingang van 1 november 1945 in werking getreden Telegraaf- en Telefoonwet 1945 (G.B. 1945 no. 113, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1983 no.54). Deze wet is sedert haar inwerkingtreding enkele malen gewijzigd teneinde deze aan te passen aan de technologische ontwikkelingen die in het telecommunicatiewezen hebben plaatsgevonden. De laatste, zeer ingrijpende wijziging dateert evenwel alweer van 20 juli 1983 (S.B. 1983 no. 54). Zoals wij echter om ons heen kunnen zien en in het dagelijks leven ervaren, hebben de technologische ontwikkelingen sindsdien een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Met de introductie van de personal computer heeft de "informatiemaatschappij" haar intrede gedaan. Satellietcommunicatie en andere draadloze communicatie (cellular phones) en in de zeer nabije toekomst zelfs een combinatie van beide alsmede het Internet zijn niet meer weg te denken uit de hedendaagse samenleving. Deze veranderingen zijn van zodanige aard dat de huidige wetgeving tekortschiet en nieuwe wetgeving vereisen die aansluit bij de eisen van deze tijd.

 

Naast de technologische ontwikkelingen zijn terzake de telecommunicatie nog andere aspecten van belang. Een steeds voortschrijdende liberalisatie weekt de telecommunicatie langzamerhand los uit de overheidsschoot. Een eerste stap in die richting is door de toenmalige Regering reeds in 1980 gezet door de instelling van het Telecommunicatiebedrijf Suriname (TELESUR) bij Decreet C-38 van 24 december 1980 (S.B. 1980 no. 140, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2002 no.63), die als rechtspersoon sui generis tot 1998 als enige de telecommunicatievoorzieningen voor wat betreft de telefonie verzorgde. TELESUR had evenwel een tweeledige opdracht: enerzijds het treffen van telecommunicatievoorzieningen (artikel 3 van Decreet C-38) en anderzijds het verlenen van vergunningen (artikel 5 van genoemd Decreet). In de nota van toelichting bij het Decreet C-38 wordt uitvoerig stilgestaan bij de rechtsvorm van TELESUR. "Aangezien vele werkzaamheden van het bedrijf bestempeld moeten worden als te zijn overheidstaken n.l. taken die liggen in de publiekrechtelijke sfeer, verdient het aanbeveling onder de huidige omstandigheden deze publiekrechtelijke taken niet aan een N.V. over te dragen." Mitsdien heeft de toenmalige Regering gekozen voor rechtspersoonlijkheid sui generis (uit kracht van de wet verleend).

Internationaal ziet men reeds een aantal jaren een kentering van de visie ten aanzien van het aanbieden van telecommunicatievoorzieningen ten opzichte van evengeschetste visie uit de tachtiger jaren. Niet langer wordt de opvatting gehuldigd dat het aanbieden van telecommunicatievoorzieningen per definitie een overheidstaak is. De tijd is aangebroken om de sedert de beginjaren van de telecommunicatie bestaande staatsmonopolies op te heffen en de telecommunicatie meer marktconform te benaderen en dus concurrentie toe te laten. Tegen dit onomkeerbaar proces wenst de Regering zich niet te verzetten. Zij is echter wel van mening dat dit proces langs lijnen van geleidelijkheid zou moeten verlopen. Het verlenen van een beperkt aantal concessies biedt daartoe bij uitstek de mogelijkheid. In eerste instantie heeft de Regering hierbij een duopolie voor ogen gehad, waarbij naast er TELESUR één andere concessiehouder zou worden toegelaten.  Daartoe heeft de Regering op 6 januari 1997 aan de naamloze vennootschap International Communication Management and Services (ICMS) een intentieverklaring afgegeven terzake de verlening van een concessie voor "de aanleg en exploitatie van telegrafen, telefonen en andere telecommunicatiemiddelen", gevolgd door de verlening van een voorlopige concessie op 19 januari 1998. Tot haar spijt moet de Regering vaststellen, dat de verlening van deze voorlopige concessie niet aan de verwachtingen heeft beantwoord. Teneinde aan te sluiten bij de moderne ontwikkelingen op het gebied van de telecommunicatie is het daarom gewenst zo spoedig mogelijk de wettelijke basis te scheppen voor de liberalisatie van de telecommunicatiesector in Suriname. Zoals gezegd wordt daarbij gestreefd naar het verlenen van een beperkt aantal concessies. Aan de hand van de ervaringen met zo een stelsel van concessies kan op langere termijn een verdergaande liberalisatie aan de orde komen.

 

In het licht van het vorenstaande heeft de Regering zich internationaal verbonden over te gaan tot het beëindigen van het tijdperk van monopolie op het gebied van de telecommunicatie in het "Schedule of Specific Commitments" terzake de telecommunicatie van ons land, dat is opgemaakt in het kader van de naleving van de verplichtingen die het lidmaatschap van de World Trade Organisation (WTO) met zich meebrengt.

 

Het accepteren van andere concessiehouders naast TELESUR brengt door het ontstaan van concurrentie terzake de uitoefening van het telecommunicatiebedrijf, met zich mee dat de bij het eerder genoemde Decreet C-38 van 24 december 1980 aan TELESUR toegekende bevoegdheid vergunningen te verlenen ingevolge artikel 3 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 en andere door TELESUR uit te oefenen publiekrechtelijke taken naar de mening van de Regering niet langer door TELESUR kunnen worden uitgeoefend. Deze zullen voortaan uitgeoefend worden door de Telecommunicatie Autoriteit Suriname (TAS). Het Staatsbesluit van 26 maart 1998 (S.B. 1998 no. 32) waarbij de TAS voorlopig is ingesteld, wordt in verband hiermee bij deze wet ingetrokken.

 

De privaatrechtelijke taken, waartoe behoren het aanleggen,  ontwikkelen en exploiteren van de telecommunicatie-infrastructuur (de centrales en de netten met alles wat daarbij behoort) worden opgedragen aan een beperkt aantal rechtspersoonlijkheid bezittende telecommunicatiebedrijven, die nationale en internationale telecommunicatievoorzieningen kunnen aanbieden.

 

Naast bovenomschreven internationale ontwikkelingen, die tot wijziging van het tot nu toe gevoerde telecommunicatiebeleid en de daarmee samenhangende wetgeving nopen, onderkent de Regering ook een viertal nationale beleidsuitgangspunten terzake de ontwikkeling van de telecommunicatie van ons land, die mede de noodzaak tot wijziging onderschrijven. De Regering wenst er alhier op te wijzen dat zij zich terdege van bewust is dat de telecommunicatie geen doel op zichzelf is, maar een middel tot het bereiken van andere doelstellingen, zoals uit de navolgende beleidsuitgangspunten blijkt:

 

1.                     De telecommunicatie is geen aangelegenheid (meer) van enkele bevoorrechte personen. De gehele bevolking heeft recht op de telecommunicatiediensten die aangeboden kunnen worden. Hierbij mag niet gediscrimineerd worden voor wat betreft de kwaliteit. Bovendien dient de telecommunicatie een rol te spelen bij de educatieve, bestuurlijke en sociale ontwikkeling van de Surinaamse samenleving. De tarieven voor het aanbieden van diensten moeten dan ook acceptabel zijn.

 

2.                     In het belang van de economische ontwikkeling van ons land speelt de telecommunicatie een cruciale rol. Het bedrijfsleven moet gestimuleerd worden door het aanbieden van moderne en aantrekkelijke dienstenpakketten met een gunstige prijs-kwaliteit verhouding, zodat het zich in positieve zin kan onderscheiden van de landen in de regio.

 

3.                     Internationaal dient de concurrentiepositie van ons land te worden versterkt, hetgeen  een positieve impuls geeft aan het aantrekken van buitenlandse investeerders. De aanwezigheid van adequate telecommunicatievoorzieningen vormt daarvoor een conditio sine qua non.

 

4.           Ter ondersteuning van het groeiend gebruik van de telecommunicatievoorzieningen is het essentieel dat de telecommunicatie-infrastructuur up to date wordt gemaakt en gehouden, zodat alle innovaties waarbij gebruik gemaakt wordt van grote bandbreedte en/of geavanceerde digitale technieken, op verzoek van de gebruiker snel kunnen worden geïmplementeerd.

 

Eerder genoemde beleidsuitgangspunten maken het noodzakelijk de inmiddels sterk verouderde Telegraaf- en Telefoonwet 1945 niet alleen aan te passen aan de moderne ontwikkelingen, doch zelfs geheel te vervangen door een nieuwe wet. De voorliggende wet strekt hiertoe.

 

§ 2. De ontwikkelingen in de telecommunicatie nader bezien

Zowel telecommunicatie als informatica ondervinden een sterke invloed van de snelle ontwikkelingen op wetenschappelijk en technologisch gebied.

 

Toepassing op beide terreinen van dezelfde methodologieën en bouwstenen (digitale technieken en micro-elektronica) leidt tot overeenkomstige systeem- en apparatuur-configuraties. Het koppelen van informatieprocessen en telecommunicatiesystemen wordt hierdoor eenvoudiger en aantrekkelijker. Het gevolg is dat grotere informatiestromen steeds sneller verwerkt kunnen worden; meer complexe systemen en processen kunnen worden beheerd en beheerst. Informatieprocessen worden minder afhankelijk van de plaats van opslag van informatie of van de fysieke plaats van een informatieverwerkend systeem. Te denken valt hier aan computerservicebureaus, databanken, werkstations op afstand; er zijn vele voorbeelden te noemen en er ontstaan bij wijze van spreken dagelijks nieuwe applicaties van het samengaan van informatica en telecommunicatie. Deze ontwikkeling, gestuwd door de technologie is merkbaar in de gehele samenleving. Het toenemende belang van de informatietechnologie is waar te nemen op het gehele economische, sociale en culturele vlak. Te wijzen valt op ontwikkelingen terzake, in onder andere bedrijfsmanagement, de transportwereld, het bankwezen, onderwijs, uitgeverijen en de media.

 

De technologische ontwikkeling op het gebied van de telecommunicatie-infrastructuur en de randapparatuur maakt een toenemend aanbod van nieuwe diensten aan de gebruikers mogelijk.

 

De belangrijkste ontwikkelingen zijn:

-            digitalisering van transmissie- en schakelmiddelen;

-            toepassing van glasvezelkabel en satellieten;

-            omvorming van de infrastructuur, waarin thans nog gescheiden netten aanwezig zijn, elk geoptimaliseerd voor een bepaalde dienst, (telefoon, telex,datacommunicatie), tot één (1) net waarover vele vormen van transport van signalen kunnen worden afgewikkeld, het zogeheten Integrated Services Digital Network (ISDN).

 

De Regering wenst deze ontwikkelingen te stimuleren. Er wordt naar gestreefd om, binnen de gegeven bedrijfseconomische mogelijkheden, de stand van de techniek in het niveau van de dienstverlening tot uitdrukking te brengen. Deze wet beoogt de randvoorwaarden te scheppen waarbinnen deze ontwikkelingen tot volle wasdom kunnen komen.

 

§ 3. Noodzaak tot wijziging van de huidige regeling

1)      Telecommunicatie Autoriteit Suriname

In de inleiding is reeds aangegeven dat de TAS wordt ingesteld en een onafhankelijke positie ten opzichte van de overheid krijgt. De TAS krijgt in feite de status van een zelfstandig bestuursorgaan, met dien verstande dat aan de Minister moet worden gerapporteerd en de Minister kan bijsturen door het geven van algemene aanwijzingen.

 

Zoals reeds is aangegeven was de TAS eerder (voorlopig) ingesteld, omdat het verlenen van een concessie aan ICMS naast TELESUR de ontvlechting van de door TELESUR uitgeoefende privaatrechtelijke en publiekrechtelijke taken noodzakelijk  zou maken, d.w.z. dat de publiekrechtelijke taken naar de TAS zouden worden overgebracht. Immers, er zou geen sprake zijn geweest van eerlijke concurrentie, wanneer TELESUR in het kader van haar publiekrechtelijke taken ook zeggenschap over ICMS zou hebben gehad. Nu de Regering tot het verlenen van meer concessies wenst over te gaan is de genoemde ontvlechting evenzeer een urgente zaak geworden.

Het wekt geen verbazing dat de inbedding van de TAS als onafhankelijk orgaan uitvoerig in de  wetsteksten is terug te vinden. Niet alleen in het aan de TAS gewijde hoofdstuk 2, maar ook in tal van bepalingen waarin bevoegdheden aan de TAS worden toegekend.

 

2) Concessie voor de telecommunicatie-infrastructuur

Ten tijde van de totstandkoming van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 bestonden voor de telegrafie respectievelijk de telefonie, gescheiden netten waarvan de technische specificaties samenvielen met het gebruik van elk van die netten, te weten het overbrengen van telegrammen en het voeren van gesprekken. Tegenwoordig is het echter mogelijk om over het telefoonnet vele andere diensten te verrichten.

 

Verder bestaan niet alleen gespecialiseerde netten voor het openbaar telefoonverkeer en het openbaar telexverkeer, maar ook voor het openbaar dataverkeer. Deze netten hebben elk hun eigen schakelmiddelen (centrales), maar voor de overdracht maken zij gebruik van gemeenschappelijke middelen (kabels, straalverbindingen). De aansluitpunten voor de onderscheiden netten zijn separaat uitgevoerd. De huidige infrastructuur kent enkel- en meervoudige telefoonaansluitingen (b.v. groepsnummers), telexaansluitingen, aansluitingen voor datacommunicatie  en verschillende typen vaste verbindingen (huurlijnen).

 

Meer en meer vervalt de noodzaak voor aparte telefoon-, telex- en datanetten en wordt gewerkt aan een geïntegreerd telecommunicatienet (ISDN) dat voor allerlei telecommunicatiedoeleinden kan worden gebruikt.

 

In deze wet wordt dan ook niet meer gesproken van concessies voor het aanleggen, ontwikkelen en exploiteren van "telegrafen en telefonen" maar van "de telecommunicatie-infrastructuur".

 

3) Aan de concessiehouders opgedragen diensten

Door de scheiding in deze wet tussen enerzijds de regeling van de concessie voor het aanleggen, ontwikkelen en exploiteren van de telecommunicatie-infrastructuur en anderzijds aanbieders van telecommunicatiediensten, wordt een duidelijk onderscheid verkregen tussen concessiehouders en andere aanbieders van openbare telecommunicatiediensten. Met dit onderscheid wordt aangesloten bij ontwikkelingen, waarbij het mogelijk is dat naast de concessiehouders ook andere aanbieders van diensten op de markt komen. Voorzover deze aanbieders van telecommunicatiediensten geen concessiehouders zijn, dienen zij te beschikken over een vergunning van de TAS terzake. Dit stelsel van vergunningen wordt door de Regering als een belangrijk instrument gezien om tot een geleidelijk proces van liberalisatie te komen.

 

De Regering heeft zich, zoals reeds is aangegeven, dan ook in november 1997, met het oog op de gewenste vernieuwing en de aansluiting bij de wereldwijde telecommunicatie-ontwikkelingen in WTO-verband gecommitteerd om begin 2003 de telecommunicatiemarkt te liberaliseren, uiteraard onder door de Regering te definiëren voorwaarden.

 

De geschetste ontwikkelingen maken een andere regelgeving noodzakelijk dan de huidige Telegraaf- en Telefoonwet 1945, waarin de begrippen (openbare) telegrafen en telefonen, zowel de dienst als de daarvoor bestemde infrastructuur omvatten.

 

4) Vaste verbindingen

Thans bestaat niet de wettelijke verplichting om aan een ieder tegen vergoeding transportcapaciteit in de vorm van het gebruik van vaste verbindingen (huurlijnen) beschikbaar te stellen. Een verplichting daartoe dient vanwege het algemeen maatschappelijk en economisch belang daarvan te worden geregeld in de  wet.

 

De leveringsverplichting van vaste verbindingen (huurlijnen) van verschillende capaciteit en/of kwaliteit beoogt maximale mogelijkheden te bieden aan de gebruikers van de telecommunicatie-infrastructuur. Tevens wordt daardoor bevorderd dat moderne technieken en nieuwe mogelijkheden in deze infrastructuur worden toegepast.

 

Op deze wijze wordt een stimulans gegeven aan de ontwikkeling van de telecommunicatie en de toepassingen daarvan samen met de informatica.

 

5) Call-back services

Bij het call-back systeem wordt iemand in een ander land dat lagere tarieven hanteert , gebeld met het verzoek terug te bellen. Het is tegenwoordig ook mogelijk dit terugbellen automatisch te laten geschieden. Zolang de tarieven vanuit Suriname naar een bepaald land hoger zijn dan de tarieven vanuit dat land naar Suriname kan call-back leiden tot een verlies aan inkomsten voor het Surinaamse telecommunicatiebedrijf. Inmiddels zijn de internationale tarieven over de gehele wereld sterk verlaagd en ook meer in overeenstemming gebracht met de werkelijke kosten. De verliezen die in Suriname door toepassing van call-back worden geleden zijn daardoor ook minder geworden. Er blijven echter verschillen bestaan, mede doordat aanpassingen van tarieven in verband met inflatie in het ene land misschien niet en in het andere land misschien wel plaatsvindt. De Regering acht het daarom gewenst om over de mogelijkheid te beschikken om call-back praktijken waar nodig tegen te gaan.

 

6) Frequentiebeheer

In toenemende mate wordt in de telecommunicatie voor de overdracht en uitzending van signalen gebruik gemaakt van zich door de ether voortplantende radiogolven. Deze elektromagnetische golven hebben een bepaald vermogen, golflengte of frequentie en transportcapaciteit. De frequentie van een radiogolf en in mindere mate de energie zijn grotendeels bepalend voor de door de radiogolf te overbruggen afstand en de transportcapaciteit voor signalen. Door de fysische eigenschappen van de ether kunnen lagere frequenties grotere afstanden door de ether afleggen dan hogere frequenties. Ook de transportcapaciteit van radiogolven wordt grotendeels bepaald door de gebruikte frequentie: hoe hoger de frequentie, des te meer signalen getransporteerd kunnen worden. Daarom zijn sommige frequenties geschikter voor bepaalde toepassingen dan andere frequenties.

 

Aanbieders van telecommunicatievoorzieningen die op hetzelfde tijdstip en in hetzelfde geografische gebied gebruik maken van dezelfde of nagenoeg dezelfde frequenties, storen elkaar (interferentie). De grootte van het gebied waar storing plaatsvindt, wordt bepaald door de hoogte van de gebruikte frequenties. Dezelfde of nagenoeg dezelfde frequenties kunnen daarom slechts op een bepaalde afstand van elkaar gebruikt worden. Deze herhalingsafstand wordt hoofdzakelijk bepaald door de hoogte van de gebruikte frequenties en de technologie die verder wordt toegepast. Naarmate de gebruikte frequenties hoger zijn, wordt de herhalingsafstand kleiner. Ontwikkelingen in de technologie maken het mogelijk om dezelfde frequenties steeds dichter ten opzichte van elkaar te gebruiken, zowel in tijd als in geografische zin. Ook maakt de moderne technologie het mogelijk om hogere, nu nog nauwelijks gebruikte, frequenties te gaan exploiteren en, om in geval van omroeptechnologie, om op één frequentie tegelijkertijd meerdere programma's uit te zenden.

 

Economische groei, toenemende liberalisering en mondialisering van de telecommunicatiesector, technologische ontwikkelingen, met name op het gebied van mobiele satellietcommunicatie en aardse communicatie, de grote vraag naar nieuwe vormen van mobiele telecommunicatiediensten en de invoering van nieuwe digitale communicatiesystemen naast de bestaande analoge systemen, hebben ondanks genoemde ontwikkelingen op het gebied van de technologie, een schaarste aan frequenties veroorzaakt. Hierdoor is er een toenemende druk op bepaalde gedeelten van het radiofrequentiespectrum ontstaan. De economische en maatschappelijke waarde van frequenties is daardoor sterk toegenomen. Dit maakt een actieve rol van de overheid op het gebied van de ordening van het frequentiespectrum noodzakelijk. Op basis van die ordening zal door de TAS de feitelijke verdeling van veelal schaarse frequenties over een groot aantal categorieën van gebruik en binnen deze categorieën over de verschillende gegadigden, alsmede het toezicht op een doelmatig gebruik van toegewezen frequentieruimte plaatsvinden.

 

 

7) Nummerbeheer

In de definitiebepaling (artikel 1 onder q) is aangegeven dat een nummer strekt tot de toegang tot of de identificatie van gebruikers en aanbieders van telecommunicatievoorzieningen. Het nummer is derhalve een essentieel bestanddeel van de telecommunicatievoorzieningen. In het belang van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie wordt in onderhavige wet  de zorg voor het beheer van de nummerruimte daarom gelegd bij de TAS.

 

Bij het nummerbeheer staat het faciliteren van de markt voorop. Het gaat erom - binnen bepaalde randvoorwaarden - ervoor te zorgen dat zowel concessiehouders als andere aanbieders van openbare telecommunicatiediensten die nummers nodig hebben, deze toegewezen kunnen krijgen. Hierbij dient bedacht te worden dat het toekennen en reserveren van nummers dient te geschieden binnen de grenzen van een door de TAS opgesteld nummerplan. Het nummerplan bepaalt de voor een bepaalde bestemming beschikbare nummerruimte en stelt zo de grenzen waarbinnen de toekennende instantie (de TAS) kan opereren. De vrijheid van de TAS om in een nummerplan nummerruimte te creëren is echter door diverse oorzaken beperkt. Zo dient een nummerplan te passen binnen de overeengekomen internationale nummersystemen. Maar ook beleidsmatig belangrijke aspecten, zoals bijvoorbeeld herkenbaarheid en hanteerbaarheid van nummers voor gebruikers, leggen hun beperkingen op. Hier komt nog bij dat aan het wijzigen van een nummerplan in het algemeen grote consequenties verbonden zijn in verband met de economisch en maatschappelijk ongewenste neveneffecten van een grootschalige omnummering. Wijzigingen van nummerplannen die een omnummering inhouden dienen dan ook zoveel mogelijk te worden vermeden.

 

8) Nummeridentificatie

In onderhavige wet zijn voorts regels opgenomen terzake de zogenaamde nummeridentificatie. Nummeridentificatie is een faciliteit die hierin bestaat dat het nummer van het opgeroepen of het  oproepende aansluitpunt zichtbaar wordt gemaakt ‑ voordat de verbinding tot stand komt ‑ op een beeldschermpje of afleesvenstertje van het telefoontoestel. Het gebruik van een dergelijke faciliteit kan gevolgen hebben voor de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer. Daar staat tegenover dat vele telefoongebruikers min of meer regelmatig worden lastig gevallen door ongewenste telefoontjes. De onderhavige faciliteit maakt onder meer mogelijk in dergelijke gevallen niet op te nemen.

 

9) Randapparatuur

In de zin van artikel 2 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 vormen telegraaf- en telefoontoestellen een onderdeel van én de infrastructuur én de openbare dienst. Dit valt te verklaren uit het vroeger eenduidig gebruik van het telegraaf- respectievelijk telefoonnet.

 

Door het gebruik van vooral het telefoonnet voor andere diensten met behulp van een grote verscheidenheid aan randapparatuur is een heel andere situatie ontstaan, welke er toe leidt dat het monopolie op bepaalde randapparatuur voor aansluiting op de telecommunicatie-infrastructuur dient te worden opgeheven.

 

De gewijzigde positie van de hier bedoelde randapparatuur maakt ook een wettelijke regeling noodzakelijk met betrekking tot de eisen waaraan zij moet voldoen. Daartoe worden regels vastgesteld ten aanzien van het testen, de certificatie en de toelating van (buitenlandse) randapparatuur op de Surinaamse markt alsmede de bedrijfsmatige installatie van randapparatuur. Het kader voor de regeling is neergelegd in artikel 68.

 

De op grond van deze wet te stellen technische eisen beperken zich in hoofdzaak tot eisen welke dienen om de veiligheid van het personeel van concessiehouders en van de gebruikers te verzekeren en overlast voor andere gebruikers te voorkomen, alsmede om ongewenste beïnvloeding van de kwaliteit van de infrastructuur te voorkomen (bijvoorbeeld verkeerde verbindingen). Bij dit laatste gaat het onder andere om die eisen die dienen om er voor te zorgen dat een gewenste verbinding op de juiste wijze tot stand komt (signalering en protocollen).

 

Hoofdstuk 2

Hoofdlijnen van de wet

§ 1. De kern van de wet

De kern van de wet wordt gevormd door de bepalingen die de volgende onderwerpen regelen:

 

a.         de basis voor de verlening van een concessie voor het aanleggen, ontwikkelen en exploiteren van de telecommunicatie-infrastructuur aan bij afzonderlijke uitvoerings­regelgeving aan te wijzen rechtspersonen (de concessiehouders) alsmede de verplichting van de concessiehouders om ervoor zorg te dragen dat de capaciteit, de kwaliteit en de eigenschappen van de infrastructuur voldoen aan de eisen voor een doelmatige verzorging van telecommunicatie;

 

b.         de opdracht aan concessiehouders over de telecommunicatie-infrastructuur een aantal diensten met betrekking tot het directe transport van signalen (telefoon-, telegraaf- en telexdiensten) te verzorgen en de verplichting deze diensten aan een ieder tegen vergoeding beschikbaar te stellen  (artikel 14 lid 1);

 

c.          het stellen van concessievoorwaarden aan de door concessiehouders uit te voeren activiteiten, bedoeld onder a, b en c (artikel 19 lid 2); het toezicht hierop zal binnen het kader van deze voorwaarden geschieden op basis van de informatie die een concessiehouder verplicht moet verstrekken (artikel 19 lid 2 onder j);

 

d.         het verbod tot aanbieding van by-pass en call-back services (artikelen 14 lid  2 onder b en 15);

 

e.         het ontwerpen van een wettelijk regime voor draadomroep- en kabelinrichtingen (artikelen 51, 52 en 53);

 

f.          voortzetting (in hoofdzaak) van het bestaande regime voor radio-elektromagnetische zend- en ontvanginrichtingen (artikelen  45 tot en met 50);

 

g.         een wettelijk kader voor de vast te stellen regels met betrekking tot keuring en toelating van randapparatuur op de telecommunicatie-infrastructuur (artikel 68).

 

§ 2. Andere van belang zijnde elementen

De herziening van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 kan evenwel niet tot de hiervoor bedoelde onderdelen beperkt blijven.

 

Zo maakt de ontvlechting van TELESUR en het toelaten van meerdere concessiehouders, het voorts noodzakelijk in de wet enige bepalingen op te nemen met betrekking tot de volgende onderwerpen:

 

-                         het voorzien in het toezicht op de concessiehouders en het treffen van maatregelen in geval een concessiehouder zijn bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen niet nakomt, bijvoorbeeld interconnectie (de artikelen 11 en 12), bestuursdwang, last onder dwangsom en bestuurlijke boete (artikel 84 en volgende);

 

-                         het verzekeren van de nakoming van internationale regelingen terzake de verzorging van het internationale telecommunicatieverkeer en een goede voorbereiding van zodanige internationale regelingen (de artikelen 36 en 39).

 

§ 3. Nieuwe elementen

Voorts is in de wet een aantal onderwerpen geregeld waarin de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 thans niet voorziet, maar die nu de huidige wet vervangen wordt door een geheel nieuwe wet, niet kunnen worden gemist. Het betreft hier regelingen met betrekking tot de  volgende onderwerpen:

 

-                         het scheppen van een wettelijke basis voor het beheer van het frequentiespectrum (artikel 62);

 

-                         het scheppen van een wettelijke basis voor het beheer van nummers die toegang geven tot het gebruik van de telecommunicatie-infrastructuur (artikel 24) en de identificatie van nummers (artikel 30);

 

-                         het scheppen van een wettelijke basis voor het vragen van vergoedingen voor in het voorstel voorziene overheidsmaatregelen, zoals vergunningen, erkenningen, bepaalde keuringen, toewijzing frequenties en het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en vergunningsvoorwaarden alsmede voor het verlenen van bemiddeling tussen de gebruiker en bijvoorbeeld satellietcommunicatie-operators (artikel  81 lid 1);

 

-                         de mogelijkheid tot regulering van de elektromagnetische compatibiliteit van niet telecommunicatie-apparatuur (artikel  69);

 

-                         een regeling met betrekking tot de limitering van de aansprakelijkheid (artikelen 38 en 39).

 

§ 4. Nieuwe structuur in de wet

In verband met het ingrijpende karakter en de omvang van de in de onderwerpelijke wet te regelen materie is ervoor gekozen de wet een meer aan de huidige inzichten aangepaste indeling en uitwerking te geven. In het bijzonder met betrekking tot het vergunningenregime voor telecommunicatie-inrichtingen van bijzondere aard en beperkte omvang (hoofdstuk 5) komt het uit het oogpunt van rechtszekerheid wenselijk voor een aantal onderwerpen, welke thans hun uitwerking vinden in het toepassingsbeleid van de overheid (de artikelen 122, 123, 125, 127 en 128) , in de wet zelf te regelen dan wel daarin een uitdrukkelijke grondslag te geven. Voorts is thans in de wet opgenomen dat deze telecommunicatie-inrichtingen niet mogen worden gebruikt om voor derden basistelecommunicatie te verzorgen, anders dan door middel van het geschakelde net. Van dit verbod kan ten aanzien van radiotoepassingen in bijzondere gevallen ontheffing worden verleend (artikel 47 lid 2).

 

Bovendien is het niet toegestaan telecommunicatie-inrichtingen van bijzondere aard of beperkte omvang onderling te koppelen anders dan door middel van de telecommunicatie-infrastructuur (artikel 46).

 

Tenslotte is in de wet uitdrukkelijk voorzien in een grondslag voor de aan vergunningen te verbinden voorschriften en beperkingen, in een regeling van weigerings- en intrekkingsgronden, alsmede in een grondslag voor het stellen van procedureregels voor de totstandkoming van besluiten tot verlening, wijziging en intrekking van vergunningen.

 

Wat betreft de in de wet gebruikte terminologie zij opgemerkt dat zoveel mogelijk gestreefd is naar het hanteren van begrippen die aansluiten bij de huidige inzichten.

 

Het geregelde wettelijke systeem sluit goed aan bij het voornemen om te komen tot verdergaande verzelfstandiging  van TELESUR en liberalisering van de sector in Suriname.

 

Artikel 9 van de wet biedt de basis voor het verlenen van concessies aan rechtspersoonlijkheid bezittende telecommunicatiebedrijven voor het aanleggen, ontwikkelen en  exploiteren van de telecommunicatie-infrastructuur.

 

De voorwaarden, waaronder de concessies zullen worden verleend, geschieden op basis van de uitgangspunten genoemd in artikel 19 van de wet.

De diensten, die de concessiehouders over hun deel van de telecommunicatie-infrastructuur waarvoor hen concessie is verleend, dienen te verzorgen, zullen omdat het betreft het verrichten van basisdiensten in het algemeen belang, (telefoon- en telexdiensten) op grond van artikel 14 lid 1 van de wet, in beginsel aan elk der concessiehouders kunnen worden opgedragen. Gelet op het geringe deel dat de telegrafie nog inneemt in de hedendaagse telecommunicatie wordt nog bezien of het wenselijk dan wel noodzakelijk is deze dienst aan meerdere concessiehouders op te dragen.

 

§ 5. Omroep

Met de inwerkingtreding van deze wet wordt de Telegraaf- en telefoonwet 1945 ingetrokken. Daarmede komt tevens de wettelijke basis van de vergunningverstrekking voor omroep en het toezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden weg te vallen. Aangezien er (nog) geen afzonderlijke wet bestaat die het omroepwezen regelt, is het nodig dat de oude regeling van de Telegraaf- en Telefoonwet wordt voortgezet, hoewel de onderhavige wet zich beperkt tot voorzieningen en zich niet begeeft op het terrein van de inhoud.

 

 

II. Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

 

Artikel 1

Onderdeel a

Het aansluitpunt is de scheiding tussen de telecommunicatie-infrastructuur en de aan te sluiten randapparatuur. Het aansluitpunt bevindt zich doorgaans op de locatie van de gebruiker. In het geval van mobiele communicatie wordt het aansluitpunt uit praktische overwegingen verondersteld te liggen "in de ether" bij het vaste radiostation behorende tot de telecommunicatie-infrastructuur. In feite vormt daarmee de radioweg van en naar het mobiele randapparaat de koppeling tussen infrastructuur en randapparatuur.

 

Onderdeel d

 

Het gaat hier om inrichtingen bestemd voor het uitzenden van omroepprogramma's buiten de kring van één woning, instelling of bedrijf en dergelijke. Hieronder vallen zowel inrichtingen die voor dit doel zijn aangelegd, als andere inrichtingen voor telecommunicatie met gebruik van kabels, indien deze mede voor het uitzenden van omroepprogramma's worden gebruikt.

 

Onderdeel g

 

Onder de vigeur van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 waren geen regels gesteld ten aanzien van de interconnectie tussen telecommunicatie-infrastructuren. Niet dat die er niet waren. Men hoeft alleen maar te denken aan de van oudsher bestaande internationale verbindingen en aan de in recentere jaren geïntroduceerde mogelijkheid om via een "cellular phone" een verbinding op te bouwen met een aansluitpunt op de vaste telecommunicatie-infrastructuur en andersom.

 

Aangezien tot 1998 ons land slechts één "concessiehouder" kende, te weten TELESUR, speelde de interconnectieproblematiek op landelijk niveau niet. Internationaal bestaan er echter reeds regels zo lang er over lange afstand getelegrafeerd en getelefoneerd wordt.

 

Nu, zoals meermalen reeds is aangegeven, er meer concessiehouders op de markt zullen worden toegelaten is het evenwel zaak regels vast te stellen ten aanzien van de interconnectie. Daartoe is in dit definitie-artikel een omschrijving gegeven wat onder interconnectie moet worden verstaan.

 

Hierbij dient er op gewezen te worden dat hiervan niet alleen sprake is ingeval de infrastructuur van twee concessiehouders met elkaar verbonden wordt, maar ook ingeval verschillende vormen van infrastructuur van een en dezelfde concessiehouder met elkaar verbonden worden. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het reeds gegeven voorbeeld van verbinding van mobiele telecommunicatie-infrastructuur en vaste telecommunicatie-infrastructuur.

 

Teneinde te voorkomen dat de gebruiker er de dupe van wordt dat meerdere aanbieders van telecommunicatievoorzieningen op de markt komen, is in de wet tevens bepaald dat de concessiehouders tot interconnectie verplicht zijn. Men zie artikel 11 lid 1. Voor een verdere toelichting mag naar de toelichting op dat lid en de volgende leden van dat artikel worden verwezen.

 

Onderdelen h en  k

 

De begrippen intern netwerk en kabelnet zijn gedefinieerd aangezien het wenselijk is ten aanzien daarvan krachtens deze wet in de uitvoeringsregelgeving regels vast te stellen die met name betrekking hebben op de keuring van deze netten. Dit wordt onder meer van belang geacht in verband met de mogelijkheid van storing die een slecht functionerend net op de overige telecommunicatie-infrastructuur en apparatuur kan hebben doch ook in verband met de bij draadomroep- en kabelinrichtingen te leveren signaalkwaliteit. Zie daartoe de bepalingen in de artikelen 51 lid 3 onder e en  53 lid 2 onder d.

 

Onderdelen  j en  l

De in de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 gehanteerde begrippen "lijnen" en "kabels" zijn (om redenen van systematiek) ondergebracht in de begrippen "kabels" en "kabelwerken". Onder het begrip "kabels" vallen ook bijvoorbeeld glasvezelverbindingen.

 

Onderdeel  q

 

De definitie van "nummer" is opgenomen omdat het begrip "nummer" in het spraakgebruik een beperktere betekenis heeft dan in de wet wordt bedoeld.

 

Het begrip "nummer" moet in samenhang worden gezien met een bepaalde bestemming binnen de telecommunicatie. Door deze doelen ruim te omschrijven wordt tevens een juridisch kader geschapen voor het op artikel 24 berustende nummerbeheer. Hieronder vallen mede activeringscodes voor aanvullende diensten zoals bijvoorbeeld *3 voor de voicemaildienst en het gebruik van namen voor bepaalde diensten (bijvoorbeeld namen en adressen voor elektronische postdiensten op basis van Internetprotocollen of volgens ITU-T-aanbeveling X.400 en dergelijke), zonder overigens daarmee te zeggen dat er op al deze gebieden concrete beleidsvoornemens zijn. Pas als een bepaalde beleidsbehoefte blijkt, zal de overheid c.q. de TAS het te reguleren gebied betreden. Daartoe biedt de wettelijke definitie de ruimte.

 

Nummers dienen voor toegang tot of identificatie van gebruikers (natuurlijke of rechtspersonen), concessiehouders als aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur en aanbieders van openbare telecommunicatiediensten.

Delen van een nummer kunnen informatie bevatten, zoals geografische informatie (landencode, netnummer), tariefinformatie (dienstcode voor gratis nummers) en informatie over het type dienst (bijvoorbeeld mobiele telefonie).

 

Onderdeel  r

Met behulp van "nummeridentificatie" kan het nummer van hetzij het oproepende aansluitpunt, hetzij het opgeroepen aansluitpunt op een beeldschermpje of afleesvenstertje zichtbaar gemaakt worden. De tweede variant heeft betekenis voor het geval het gekozen nummer is doorgeschakeld naar een ander nummer (*21) of een elektronische postbus. Een meer uitgebreide toelichting op de werking van deze faciliteit is opgenomen in hoofdstuk 1 § 3 onder 8, van het algemeen gedeelte van deze memorie van toelichting en in de toelichting op de artikelen 30 en 31.

 

Onderdeel  u

De gegeven omschrijving van openbare gronden is opgenomen ter onderscheiding van telecommunicatienetwerken, die uitsluitend op eigen grond liggen en derhalve geen onderdeel uitmaken van de telecommunicatie-infrastructuur.

 

Onderdeel  z

 

Tot randapparatuur behoren uitsluitend die inrichtingen of een samenstel daarvan welke bestemd zijn voor rechtstreekse aansluiting op de telecommunicatie-infrastructuur door middel van aansluitpunten.

 

Het kan hierbij dus gaan om enkelvoudige telefoontoestellen, telextoestellen en faxapparaten en dergelijke, maar ook om gecompliceerde apparatuur en eigen netwerken van de gebruiker, zoals bedrijfstelefooncentrales of apparatuur welke de schakel vormt tussen de infrastructuur en de eigen voorziening van de gebruiker, zoals een modem. Deze apparatuur dient te zorgen voor aanpassing aan en samenwerking met de telecommunicatie-infrastructuur en dient dan ook daartoe te vallen onder het regime bedoeld in artikel 68.

 

Onderdeel  bb

De definitie van telecommunicatie is afgeleid van die in annex II bij het ITU-verdrag welke definitie laatstelijk werd vastgesteld bij de totstandkoming van de op 22 december 1992 te Genève tot stand gekomen Constitutie en Conventie van de Internationale Telecommunicatie Unie met de daarbij behorende bijlagen en reglementen (goedgekeurd bij wet van 22 mei 1995, S.B. 1995 no. 53).

 

Onder deze definitie vallen alle vormen van elektromagnetisch transport, uitzending en ontvangst van signalen. Het begrip "signalen" dient ruim te worden opgevat; het is een samenvatting van de definitie in het ITU-verdrag dat spreekt over: seinen, signalen, teksten, beelden, geluiden of andere signalen. Dit betekent dat onder de omschrijving ook omroep valt.

 

Onderdeel  cc

 

Tot de telecommunicatie-infrastructuur behoren alle inrichtingen en middelen welke worden gebruikt voor het verzorgen van telecommunicatie, die, geheel of gedeeltelijk, de openbare grond overschrijden, tot en met de aansluitpunten, zoals:

 

-           kabels, versterkerinrichtingen, straalverbindingen, radio-elektromagnetische

zendinrichtingen, satellietsystemen inclusief grondstations, vast opgestelde radiostations voor bijvoorbeeld autotelefonie, semafonie en andere vormen van mobiele telecommunicatie;

 

-           routerings- en beheersmiddelen ten behoeve van het transport, zoals centrales, beheerssystemen en ondersteunende functies, waaronder stroomvoorzieningen;

 

-           de aansluitingen op telecommunicatie-inrichtingen in het buitenland.

 

Door het gebruik van het begrip "een stelsel van inrichtingen" valt ook een onderdeel van de telecommunicatie-infrastructuur onder de definitie van telecommunicatie-infrastructuur.

 

De omvang van de telecommunicatie-infrastructuur wordt in de begripsomschrijving daarvan begrensd door het element "telecommunicatie” die geheel of gedeeltelijk, openbare gronden overschrijdt".

 

Met dit element van de begripsomschrijving wordt aangegeven dat alleen de aanleg, instandhouding en exploitatie van telecommunicatie-inrichtingen die aan dit element voldoen, geschieden ten dienste van het algemeen belang en derhalve in de zin van artikel 9 leden 1 en 3 en artikel 10 lid 2, in beginsel behoren te vallen binnen de taakuitoefening van concessiehouders.

 

De door de concessiehouders aan te leggen, te ontwikkelen en te exploiteren telecommunicatie-infrastructuur is per definitie openbaar, dat wil zeggen voor een ieder toegankelijk.

 

Niet tot de telecommunicatie-infrastructuur behoren:

 

a.                   besloten telecommunicatienetten die niet geheel of gedeeltelijk op openbare grond zijn gelegen;

b.                   randapparatuur;

c.                   telecommunicatie-inrichtingen van bijzondere aard of beperkte omvang waarvoor een vergunning is verleend dan wel geen vergunning is vereist, op grond van het bepaalde in hoofdstuk 5 van de wet.

 

Onderdeel  ee

 

De term "vaste verbinding" wordt hier gebezigd in plaats van de tot nu toe in het spraakgebruik gehanteerde aanduiding "huurlijn". Onder een vaste verbinding wordt verstaan een mogelijkheid voor het directe transport van signalen tussen twee aansluitpunten, waarvan het gebruik voor een van tevoren overeengekomen duur beschikbaar is gesteld (verhuurd) aan een gebruiker (huurder). Indien vanaf één aansluitpunt vaste verbindingen zijn gevormd naar meerdere aansluitpunten wordt elke verbinding op zich als een vaste verbinding beschouwd.

Het verschil met een (gewone) telefoon-, telex- of dataverbinding is hierin gelegen dat bij een vaste verbinding de gebruiker vanaf zijn aansluitpunt geen ander aansluitpunt kan bereiken dan dat aan het eind van de verbinding.

 

Hierna wordt stilgestaan bij enkele elementen van de definitiebepaling.

 

Gebruikers

 

Voor toegang tot een gebruiker van telecommunicatiediensten heeft een andere gebruiker het nummer nodig waarmee verbinding met de eerste gebruiker tot stand kan worden gebracht. Het nummer kan door de dienstaanbieder worden gebruikt voor identificatie van de gebruiker aan wie kosten in rekening worden gebracht.

 

Er is hier gekozen voor "gebruikers" in plaats van "abonnees". Er worden namelijk niet alleen nummers aan abonnees toegekend, maar ook aan andere gebruikers. Een abonnee heeft een contract met bijvoorbeeld een dienstaanbieder. Onder het ruimere begrip "gebruiker" wordt, behalve een abonnee, verstaan een ieder die gebruik maakt van de infrastructuur. Een voorbeeld van een gebruiker die geen abonnee is maar wel een nummer heeft is de gebruiker van een buzzer (pager), een semafonie-toepassing, waarvoor geen abonnement vereist is. Het gebruikersnummer is gekoppeld aan de buzzer. De gebruiker betaalt eenmalig voor de buzzer. Degene die "oppiept", moet het verkeerstarief betalen.

 

Aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur

 

Voor de situatie waarin er meer aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur (concessiehouders) zijn die openbare telecommunicatiediensten verzorgen (bijvoorbeeld de vaste of mobiele openbare spraaktelefoondienst), voorziet de overheid in de mogelijkheid voor gebruikers om, onafhankelijk van de aanbieder bij wie de gebruiker een aansluiting heeft, te bepalen door wie zij hun nationale en internationale langeafstandsverkeer laten verzorgen. Daartoe zou de gebruiker de mogelijkheid krijgen om, voorafgaand aan het nummer van de te bereiken dienst of eindgebruiker, een code in te toetsen waarmee de gewenste aanbieder van infrastructuur wordt geselecteerd. Deze code, in de vorm van een nummer, is een voorbeeld van een nummer voor identificatie van een aanbieder van telecommunicatie-infrastructuur.

 

Openbare telecommunicatiediensten

 

Onder "openbare telecommunicatiediensten" wordt verstaan die diensten  die geheel of gedeeltelijk bestaan uit het transport en/of de routering over de telecommunicatie-infrastructuur en mitsdien door een ieder gebruikt kan worden. Een voorbeeld van een geval waarbij een nummer een openbare telecommunicatiedienst identificeert is de voicemaildienst (*3). Een ander voorbeeld is dat men aan een nummer kan zien dat het gaat om een mobiele openbare telefoondienst. Ook andere diensten kunnen via het nummer geïdentificeerd worden, bijvoorbeeld een alarmcentrale of een abonnee-informatiedienst.

 

 

Hoofdstuk 2

Telecommunicatie Autoriteit Suriname

 

Artikelen 2 en 3

 

Bij Staatsbesluit van 26 maart 1998 (S.B. 1998 no.32) is de Telecommunicatie Autoriteit Suriname voorlopig ingesteld. Zulks was, zoals in de algemene beschouwingen van deze memorie van toelichting reeds is aangegeven, noodzakelijk in verband met de ontvlechting bij TELESUR van de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke taken. De achtergrond hiervan is gelegen in de wens van de Regering om naast TELESUR ook andere telecommunicatiebedrijven op de markt te laten opereren om concurrentie mogelijk te maken. Het zou immers onjuist zijn publiekrechtelijke taken door TELESUR te doen uitoefenen, terwijl deze ook betrekking kunnen hebben op de nieuwe (concurrerende) aanbieder van telecommunicatievoorzieningen.

 

In afwijking van de voorlopig ingestelde TAS is, zoals reeds in het algemeen gedeelte is aangegeven (hoofdstuk 1, § 3, onder 1), de nu definitief ingestelde TAS een onafhankelijk orgaan. De reden hiervoor is enerzijds gelegen in het feit dat de overheid voorshands zelf (enig) aandeelhouder zal zijn in TELESUR en daarmee sprake zou zijn van belangenverstrengeling, indien diezelfde overheid ook de publiekrechtelijke bevoegdheden inzake de telecommunicatie uitoefent, waarbij bevoordeling van het eigen bedrijf niet mag worden uitgesloten. Anderzijds ook wordt het functioneren van de TAS in zekere zin vergemakkelijkt, omdat de TAS niet gebonden is aan de dwangbuis van de Comptabiliteitswet en daarmee samenhangende regulering, waaraan ambtelijke diensten gebonden zijn.

 

De onafhankelijkheid blijkt overigens niet alleen uit de naamgeving, maar ook uit de toekenning van rechtspersoonlijkheid.

 

De Regering is van mening dat de door de TAS te verrichten taken dermate direct samenhangen met en voortvloeien uit deze wet dat de instelling van de TAS bij dezelfde wettelijke regeling wenselijk is.

 

In afwijking van het evengenoemde staatsbesluit houdende de instelling van de TAS is de taakstelling van de TAS in artikel 3 lid 1 bondiger geformuleerd, nu volstaan kan worden met verwijzing naar taken die direct uit de onderscheiden artikelen voortvloeien.

 

Met andere diensten wordt onder andere bedoeld het verrichten van controlerende werkzaamheden, onderzoek en het verstrekken van informatie. De TAS mist iedere bevoegdheid om openbare telecommunicatiediensten aan te bieden.

 

Artikel 5

 

De aanwijzing van een Raad van Commissarissen is bedoeld om toezicht op het bestuur en beheer van de TAS uit te oefenen. De Raad bestaat uit tenminste 5 (vijf) en ten hoogste 7 (zeven) leden. Andere zaken de Raad betreffende zullen bij Reglement worden vastgesteld.

 

Artikel 6

 

In artikel 6 is het toezicht op de TAS geregeld. Dit berust bij de Minister belast met de zorg voor communicatie. Deze kan algemene aanwijzingen geven waaraan de TAS zich dient te houden. De Minister is niet bevoegd aanwijzingen te geven over de behandeling van individuele aanvragen. Dit zou de onafhankelijkheid te zeer in gevaar brengen. In verband met de algemene verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Politie terzake het boetebeleid, is de Minister belast met de zorg voor communicatie gehouden bij aanwijzingen die betrekking hebben op het door de TAS te voeren boetebeleid te handelen in overeenstemming met de Minister van Justitie en Politie.

 

Bij de in artikel 7 onder g bedoelde vergoedingen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld kosten van bemiddeling in geval van een gewenste directe aansluiting voor satellietcommunicatie.

 

Artikel 8

 

In verband met de uitdrukkelijke wens van de Regering de instelling van het TAS budget neutraal voor de staatsbegroting te doen verlopen heeft de Regering besloten dat de kosten van de TAS door de telecommunicatiewereld (primair de concessie- en vergunninghouders) zelf gedragen zullen moeten worden. Doordat deze gelden aan de TAS toekomen en de TAS rechtspersoonlijkheid heeft, wordt voorkomen dat de door de deelnemers in de Surinaamse telecommunicatie terzake te genereren middelen in de algemene middelen van de Staat vloeien en voor andere doeleinden worden aangewend dan de uitvoering van de aan de TAS opgedragen taken. Daarnaast worden de financiële middelen van de TAS gevormd door de door haar geïnde gelden door de uitoefening van bestuursdwang, dwangsommen en administratieve boeten.

 

Het beheer van de financiële middelen geschiedt door de TAS zelf, die daarvoor verantwoording verschuldigd is aan de Minister (zie artikel 8).

 

Met de in artikel 8 lid 2 bedoelde deskundige wordt gedoeld op accountants. Deze zijn echter nog niet onder die benaming bij de wet erkend, vandaar dat de onderhavige omschrijving dient te worden gebezigd.

 

 

 

Hoofdstuk 3

Telecommunicatie-infrastructuur en diensten

§ 1. Concessie

Artikel 9

 

Lid 1

 

Het in artikel 9 lid 1 gebruikte begrip "concessie" behoeft nadere toelichting. In de wet houdt het begrip concessie in: "de door de overheid verleende bevoegdheid tot het aanleggen, ontwikkelen en exploiteren van de telecommunicatie-infrastructuur".

 

Gekozen is voor handhaving van het ook in artikel 2 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 gebezigde begrip concessie om daarbij het algemeen belang te benadrukken dat met het aanleggen, ontwikkelen en exploiteren van een telecommunicatie-infrastructuur in Suriname is gemoeid. De overheid wil immers in het algemeen belang dat de bij de concessie verleende bevoegdheid daadwerkelijk wordt uitgeoefend. Vandaar dat voor het aanwezig hebben, aanleggen,  in stand houden, gebruiken en exploiteren van telecommunicatie-inrichtingen van bijzondere aard of beperkte omvang, als omschreven in hoofdstuk 5 van deze wet, waarbij het algemeen belang minder sterk of geheel niet aanwezig is, wél het begrip "vergunning" wordt gehanteerd, zulks overigens geheel in overeenstemming met artikel 3 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945.

 

Met het begrip "exploiteren" wordt bedoeld "het tegen vergoeding beschikbaar stellen" van de telecommunicatie-infrastructuur voor het transport van signalen, dit in tegenstelling tot het woord "gebruiken" in het vergunningenregime voor telecommunicatie-inrichtingen bestemd voor radio- elektromagnetische verbindingen (artikelen 44 en 46), dat primair ziet op particulier gebruik of gebruik voor intern beroeps- of bedrijfsmatig verkeer.

 

De infrastructuur is niet alleen beschikbaar voor het directe transport van signalen; dit geschiedt in het kader van de krachtens artikel 14 lid 1 aan concessiehouders opgedragen diensten, maar is ook beschikbaar voor het verrichten van andere diensten. Bij de exploitatie van de infrastructuur zullen de concessiehouders erop bedacht dienen te zijn dat zij als eigenaar en exploitant van de telecommunicatie-infrastructuur geen misbruik maken van hun positie door naast de opgedragen diensten andere diensten aan te bieden, en daarbij kruissubsidie plegen teneinde laatstbedoelde diensten tegen lagere dan de bedrijfseconomisch aanvaardbare tarieven op de markt aan te bieden. De TAS zal hierop in het kader van het uit te oefenen toezicht dan ook nauwgezet dienen toe te zien.

 

Lid 2, 3 en 4

 

In deze gaat het om de facilitering van rechtspersonen uit de Caricom lidstaten. Na de inwerkingtreding van de Caricom Single Market and Economy zullen rechtspersonen uit deze lidstaten dezelfde rechtspositie verkrijgen als de Surinaamse.

 

Concessies kunnen verleend worden voor verschillende vormen van infrastructuur. Aanvragen kunnen slechts op uitnodiging geschieden, waardoor verlening gelijke tred kan houden met de uitvoering van het regeringsbeleid terzake.

 

Als toetsingscriterium voor de verlening van een concessie is opgenomen dat deze strekt tot bevordering van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang. Zulks verschaft de overheid de noodzakelijke vrije beleidsruimte om te bepalen hoeveel concessiehouders zij wenselijk acht. Zoals in het algemeen gedeelte reeds is aangegeven, acht de Regering tegen de achtergrond van boven weergegeven toetsingsgrond, vooralsnog meerdere concessiehouders toereikend.

 

 

Lid 3

 

De concessiehouder krijgt vergunning om een telecommunicatie-infrastructuur aan te leggen, te ontwikkelen en te exploiteren. Zo een infrastructuur kan een vaste infrastructuur zijn, dat wil zeggen dat de aansluitpunten zich op een vast punt, dit is de locatie van de gebruiker, bevinden of een infrastructuur voor mobiele communicatie (kortweg mobiele infrastructuur), waarbij de aansluitpunten zich als het ware in de ether bevinden; men spreekt ook van “radio interface”.

 

Over zo een infrastructuur kunnen gereguleerde en niet-gereguleerde diensten worden aangeboden. Gereguleerde diensten zijn diensten waarvoor specifieke voorwaarden gelden om deze te leveren. De reden voor het stellen van specifieke voorwaarden is dat er op  voorhand niet vertrouwd kan worden dat marktwerking voldoende effectief zal zijn om misbruik van dominante marktmacht te voorkomen. Daarnaast kan hiermee het publieke belang veilig worden gesteld, namelijk toegang tot de telecommunicatievoorzieningen tegen redelijke prijzen. Voorbeelden van gereguleerde diensten zijn telefoondienst en vaste verbindingen (huurlijnen). Concessiehouders zijn op grond van lid 3a en 3b ook bevoegd internationale telefonie aan te bieden. Bij staatsbesluit zal nader worden aangegeven welke diensten vallen onder gereguleerde diensten. Voorts kan het aanbieden van bepaalde diensten aan de concessiehouder worden opgedragen ingevolge artikel 14.

 

Niet-gereguleerde diensten zijn vrij en kennen geen specifieke voorwaarden. Een voorbeeld is het aanbieden van toegang tot Internet (Internet Service Provider).

 

Voor het aanbieden van diensten is in het algemeen een vergunning van de TAS vereist

(art. 13). Concessiehouders behoeven voor het aanbieden van diensten geen aparte vergunning aan te vragen.

 

Tenslotte zij opgemerkt dat niet elke concessie noodzakelijkerwijs het gehele grondgebied van Suriname hoeft te bestrijken. In de resolutie, waarbij de concessie wordt verleend, wordt daarom het verzorgingsgebied van de betreffende concessie gedefinieerd.

                      

 

Lid 5

 

Dit lid eist van de aanvrager van een concessie dat hij aantoont, dat hij inderdaad in staat is om niet alleen op korte en op lange termijn telecommunicatie-infrastructuur aan te leggen, maar ook in staat is deze te ontwikkelen en te exploiteren. Enkele door de President te beoordelen parameters zijn daartoe in dit lid opgesomd. De opsomming is echter niet limitatief, zodat desgewenst nog andere toetsingscriteria kunnen worden gehanteerd, indien zulks wenselijk wordt geacht, bijvoorbeeld indien er meer dan één belangstellende is en verdere doorlichting van de potentiële kandidaten wenselijk wordt geacht.

 

Lid 6

 

Op aangeven van de TAS kan, in geval van samenloop van aanvragen, de doorslag voor toekenning gegeven worden door een vergelijkende toets (inschrijving) en/of een veiling.

 

Artikel 10

 

Lid 1

 

De krachtens artikel 9 lid 1 verleende concessie brengt noodzakelijkerwijs mee dat concessiehouders kunnen beschikken over de benodigde etherfrequenties voor de door hem ter uitvoering van de concessie te realiseren radioverbindingen. De bepaling voorziet in de noodzakelijke wettelijke grondslag voor de TAS voor de toekenning van deze frequenties en de daarbij te stellen voorschriften en beperkingen. Het in de tweede volzin bepaalde is opgenomen teneinde te bewerkstelligen dat voor de door een concessiehouder in het kader van de concessie te bezigen radioverbindingen, tenzij anders is bepaald, dezelfde regels van toepassing zijn als voor vergunninghouders. Te denken valt bijvoorbeeld aan de toelating en keuring van de te bezigen apparatuur.

 

Lid 2

 

Voor een goede uitvoering van artikel 14 lid 1  is van belang dat artikel 10 lid 2 concessiehouders verplicht ervoor te zorgen dat de capaciteit, de kwaliteit en de eigenschappen van de telecommunicatie-infrastructuur voldoende zijn voor een doelmatige verzorging van de telecommunicatie.

 

Met de capaciteit wordt bedoeld de verwerkingscapaciteit van de infrastructuur in relatie tot de behoefte aan telecommunicatie; met kwaliteit wordt bedoeld de kwaliteit van de overdracht van de signalen.

 

De eigenschappen verwijzen naar de mogelijkheden die de infrastructuur biedt voor verschillende vormen van telecommunicatie en de wijze waarop de infrastructuur gebruikt kan worden voor telecommunicatie.

 

De bedoeling van lid 2 is om de zekerheid te geven dat de telecommunicatie-infrastructuur in Suriname zo goed mogelijk voorziet in de behoefte aan verscheidenheid van telecommunicatiemogelijkheden, voldoende verkeer kan verwerken en voor een kwalitatief goede overdracht van de signalen zorgt.

 

Voorschriften hierover kunnen in de concessievoorwaarden worden opgenomen (zie artikel 19 lid 2 onder d).

 

De hier bedoelde verplichting heeft een algemene strekking en wordt begrensd door de in de bepaling genoemde criteria dat de capaciteit, kwaliteit en de eigenschappen van de telecommunicatie-infrastructuur moeten voldoen aan  de eisen voor een doelmatige verzorging van telecommunicatie. Bij voorzieningen, die in de toekomst binnen deze begrenzing kunnen vallen, kan onder andere worden gedacht aan de introductie van ISDN of het mogelijk maken van breedbandige vaste verbindingen (huurlijnen).

 

§ 2. Interconnectie

Artikel 11

 

Lid 1

 

Nu de Regering  ernaar streeft  meer dan één concessie te verlenen, is het noodzakelijk dat de gebruiker niet de dupe van wordt dat er verschillende infrastructuren naast elkaar komen te bestaan. De gebruiker van een aansluitpunt op de infrastructuur van de ene concessiehouder moet zonder problemen een verbinding kunnen opbouwen met een aansluitpunt van zijn keuze op de infrastructuur van een andere concessiehouder. Evenzeer moet de samenwerking worden verzekerd met dienstaanbieders die niet over een eigen infrastructuur beschikken. Daarom wordt de verplichting tot het verlenen van interconnectie wettelijk verankerd. Men kan interconnectie beschouwen als de fysieke en logische koppeling van netwerken en diensten.

 

Lid 2 en 3

 

Het is de bedoeling dat de interconnectie-overeenkomsten in onderling overleg tussen de betrokken partijen tot stand komen. De door de TAS aangegeven Model Interconnectie-Overeenkomst dient hierbij als richtlijn te worden gebruikt.

 

Lid 4

 

Dat de in onderdeel a bedoelde voorwaarden voor koppeling non-discriminatoir dienen te zijn, wil zeggen dat koppelingen steeds in overeenkomstige situaties tegen overeenkomstige voorwaarden en tarieven worden aangeboden.

 

Dat de voorwaarden voor koppeling transparant moeten zijn en de tarieven voor koppeling niet gebundeld mogen worden (onderdeel b) wil zeggen dat de tarieven waartegen koppeling wordt aangeboden, in uitgesplitste vorm worden voorgelegd, zodat elementen en diensten die niet nodig zijn of gewenst worden voor de desbetreffende koppeling, vermeden kunnen worden.

 

Tenslotte zullen de voor de verleende interconnectie verschuldigde vergoedingen kostengeoriënteerd moeten zijn (onderdeel c). Het spreekt voor zich dat interconnectie niet kosteloos behoeft te worden verleend. Teneinde echter te voorkomen dat voor interconnectie zodanige vergoedingen worden gevraagd dat de prijzen voor de aan te bieden diensten voor de gebruiker (nagenoeg) onbetaalbaar zijn - men zie hierboven de eerste alinea van de toelichting op dit artikel-, is bepaald dat de in rekening te brengen interconnectievergoeding kostengeoriënteerd dient te zijn.

 

Artikel 12

 

Artikel 12 biedt de TAS de mogelijkheid partijen, die een verplichting hebben om te komen tot een overeenkomst, bij het uitblijven van die overeenkomst een termijn te stellen waarbinnen de overeenkomst alsnog tot stand moet worden gebracht. Lukt dit niet dan zijn partijen aldus artikel 12 lid 1 in gebreke. Als uiterste maatregel zou – de betrokkene gehoord – intrekking van de verleende concessie c.q vergunning aan de orde kunnen komen. In artikel 12 lid 2 wordt de mogelijkheid gegeven om nadere regels vast te stellen. Deze kunnen onder meer betrekking hebben op de mate waarin de zogenaamde wezenlijke vereisten, zoals de elektrische veiligheid, de integriteit van het netwerk en voorts bijvoorbeeld de vertrouwelijkheid  van invloed kunnen zijn op interconnectie-overeenkomsten.

 

 

 

 

Lid 3 en 4

 

De verplichting om een volledig exemplaar van de interconnectie-overeenkomst aan de TAS beschikbaar te stellen dient op de eerste plaats om te controleren of partijen daadwerkelijk tot een interconnectie-overeenkomst zijn gekomen. Deze verplichting geldt voor alle interconnectieplichtige partijen.

 

In het vierde lid is bepaald dat de TAS bevoegd is een overeenkomst te toetsen aan het bij of krachtens de wet gestelde.

 

Dit kan al dan  niet op verzoek van een bij die overeenkomst betrokken partij gebeuren. Indien de TAS daarbij tegenstrijdigheid constateert, heeft de TAS de bevoegdheid wijziging van de overeenkomst te verlangen.

 

 

§ 3 Diensten

 

Artikel 13

 

In het algemeen zullen gereguleerde diensten worden aangeboden door concessiehouders. Hierbij wordt met name gedacht aan nationale en internationale telefonie, openbare spreekgelegenheden (telefooncellen), vaste verbindingen (huurlijnen) en de mobiele telefoondienst, overeenkomstig het betreffende staatsbesluit. Alle overige diensten zoals bijvoorbeeld toegang tot internet en allerlei toegevoegde waardediensten zoals videotextdiensten, elektronische post (e-mail), databankdiensten enz. zijn dus niet gereguleerd. Voorzover zij geen concessiehouders zijn behoeven  aanbieders van gereguleerde diensten een vergunning van de TAS. Aanbieders van niet-gereguleerde diensten – voorzover geen concessiehouders – behoeven eveneens een vergunning van de TAS, waaraan geen specifieke voorwaarden worden verbonden; een dergelijke vergunning heeft meer het karakter van een registratie. De aanbieder van  deze diensten kan worden gevraagd om periodiek  of jaarlijks aan de TAS een opgave te doen van de diensten die zij aanbieden en tegen welke tarieven.

 

Artikel 14

 

Lid 1

 

Dit lid biedt de mogelijkheid om concessiehouders op te dragen om bepaalde diensten aan te bieden. Met name gaat het hier om de eerdergenoemde gereguleerde diensten zoals nationale telefonie, internationale telefonie en vaste verbindingen (huurlijnen) of – in het geval van een concessie voor een mobiele infrastructuur – mobiele telefonie respectievelijk internationale telefonie. Het is niet  noodzakelijk om dezelfde diensten aan alle concessiehouders op te dragen, omdat er in een gegeven verzorgingsgebied meer dan één concessiehouder kan zijn.

 

Voor wat betreft de telexdiensten en de telegrafie lijkt het – gezien de beperkte omvang die deze diensten nog hebben – voldoende om die aan één concessiehouder per verzorgingsgebied op te dragen. Voorts is ervan afgezien om datatransport als afzonderlijke dienst te omschrijven, omdat het mogelijk is via de regeling die geldt voor huurlijnen datatransport te realiseren.

 

 

Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de in de leden 1 en 2 aan concessiehouders opgelegde leveringsverplichting van de diensten met betrekking tot het direct transport van signalen en van vaste verbindingen (huurlijnen), niet absoluut is. De concessiehouder is gerechtigd in de door hem op te stellen algemene leveringsvoorwaarden met betrekking tot de opgedragen diensten en de zorg voor de vaste verbindingen (huurlijnen) een aantal weigeringsgronden op te nemen in het belang van de goede dienstuitvoering (b.v. als de abonnee nog een betalingsschuld heeft aan concessiehouders).

 

Het gebruik van vaste verbindingen (huurlijnen) heeft voor het bedrijfsleven in een aantal gevallen belangrijke voordelen boven het gebruik van het geschakelde telecommunicatienet zoals het telefoonnet. Deze vaste verbindingen zullen dan ook door concessiehouders verplicht moeten worden geleverd. Dat geldt zowel voor standaardvoorzieningen die voldoen aan terzake geldende internationale bepalingen en die door concessiehouders tegen uniforme voorwaarden worden geleverd, als voor bijzondere daarvan afwijkende voorzieningen die op "projectbasis" worden gerealiseerd.

 

Het gebruik van vaste verbindingen door de huurder daarvan voor eigen gebruiksbehoeften, is vrij. De voorwaarden voor het gebruik van vaste verbindingen (huurlijnen) zullen door de concessiehouders op privaatrechtelijke basis in een contract nader moeten worden vastgelegd. Hierin zullen beperkingen in het gebruik worden opgelegd ter voorkoming van by-pass en afroming.

 

Lid 2

 

De wettelijke bevoegdheid van concessiehouders is neergelegd om de gebruiker, die handelt in strijd met de op hem ingevolge de algemene voorwaarden rustende verplichtingen, geheel of gedeeltelijk van de geboden voorzieningen uit te sluiten.

 

Daarnaast is in onderdeel b de mogelijkheid opgenomen om een dergelijke maatregel te treffen indien de gebruiker call-back bedrijft. Voor een algemene toelichting op het begrip "call-back" wordt verwezen naar het algemeen gedeelte van deze memorie van toelichting. De gronden om tot een dergelijke maatregel over te kunnen gaan zijn tweeërlei.

Ofwel moet er sprake zijn van een zodanige belasting van de voorzieningen dat andere gebruikers daarvan last ondervinden. Doch, aangezien zulks niet in alle gevallen zal zijn te constateren, is tevens een meer direct op het gebruik van call-back services gerichte omschrijving opgenomen. Deze strekt ertoe dat geconstateerd moet worden dat de omkering van de communicatierichting tot gevolg heeft dat de in artikel 15 bedoelde aan concessiehouder te betalen vergoeding voor het gebruik van zijn voorzieningen, hem slechts voor een beperkt deel toekomt. Immers komt hem,  ingeval van "call-back", slechts dat deel toe dat overeenkomstig de internationale afspraken overblijft nadat de kosten van het communicatie-genererend land zijn afgetrokken. Aangezien het aandeel van dat land altijd het grootst is, verkrijgt het "ontvangende" land dus minder voor elke minuut communicatie.

 

De aan het slot van dit lid toegevoegde ontsnappingsclausule is opgenomen teneinde collect-calls vanuit ons land, het gebruik van USA-direct of bepaalde 800-services mogelijk te houden. In deze gevallen zijn namelijk tariefafspraken gemaakt. Ook andere toekomstige mogelijkheden worden niet uitgesloten, mits met een concessiehouder tariefafspraken zijn gemaakt.

 

Dit onderdeel is voorts met name van belang voor reeds bestaande call-back services, die hun diensten kunnen blijven aanbieden, mits zij tariefafspraken hebben gemaakt.

 

Artikel 15

 

De wet richt zich in beginsel niet op de gebruiker van telecommunicatievoorzieningen, maar op de aanbieders van telecommunicatiediensten. Eén van de bepalingen in de wet die zich rechtstreeks op de gebruiker richt is opgenomen in artikel  96. Doch het aldaar geformuleerde recht op gebruik van de door concessiehouders aangeboden diensten is daar opgenomen met het oog op de in de tweede volzin opgenomen beperking in verband met de veiligheid of de rechtsorde van Suriname. Zulks blijkt uit de plaatsing van dit artikel in  hoofdstuk 14, "Bijzondere bepalingen". Immers ook de overige artikelen van dit hoofdstuk hebben, met uitzondering van artikel 97, te maken met aangelegenheden als het algemeen belang, de staat van oorlog of beleg en andere omstandigheden verband houdende met de handhaving van de internationale rechtsorde of de internationale betrekkingen. Voorts is in artikel  14 lid 1, reeds aangegeven dat concessiehouders verplicht zijn een ieder tegen vergoeding van deze door hem aangeboden (opgedragen) diensten gebruik te laten maken.

 

In verband hiermee richt dit artikel zich op de aanbieders van telecommunicatievoorzieningen of op het gebruik hiervan. De tussenpersonen die hier te lande call-back services aanbieden, bieden in de ogen van de Regering wellicht niet direct telecommunicatievoorzieningen - in de werkelijke zin van dat woord - aan, doch zij bieden in ieder geval een bepaald gebruik van die voorzieningen aan. In vele andere landen spreekt men overigens wel van wederverkoop van telecommunicatievoorzieningen.

 

Indien aan de overige in dit artikel omschreven voorwaarden wordt voldaan, dan wordt dus gehandeld in strijd met het in dit artikel geformuleerde verbod. Daarbij is door de toevoeging van "in welke vorm of op welke wijze dan ook" gekozen voor een zo ruim mogelijke formulering van deze bepaling. In dit artikel is dezelfde ontsnappingsclausule opgenomen als in lid 2 onderdeel b van artikel 14.

 

Artikel 16

 

Tot de aan de concessiehouders op grond van artikel 14 lid 1 op te dragen telefoondienst zal, als algemene nutsvoorziening, ook behoren het plaatsen en installeren van telefooncellen.

 

Artikel 17

 

De in dit artikel opgenomen bepaling komt in gemoderniseerde vorm overeen met artikel 24 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945.

 

Artikel 18

 

Het is noodzakelijk om alle diensten die internationale werking hebben, te reguleren zodat de Staat Suriname niet in opspraak wordt gebracht. Voor alle dergelijke diensten dient derhalve een vergunning te worden verleend, voor zover deze niet reeds gedekt worden door een concessie. In het bijzonder kan verwezen worden naar Internet Service Providerdiensten en internationale telefonie, waarbij zowel aan lokale als aan internationale regels dient te worden voldaan.

 

§ 4. Concessievoorwaarden

 

Artikel 19

 

Lid 1

 

Aangezien in artikel 9 lid 1 is bepaald dat een concessie bij resolutie van de President wordt verleend en de voorwaarden die aan de concessie worden verbonden daar een onlosmakelijk deel van vormen, zal duidelijk zijn dat de voorwaarden in dezelfde resolutie zullen worden opgenomen.

 

Lid 2

 

De resolutie waarbij de in dit artikel bedoelde concessievoorwaarden worden vastgesteld of gewijzigd, is gericht op de concessiehouders. De verhouding tussen de concessionaris en de gebruikers van de door hem aangeboden diensten, wordt geregeld in de door concessiehouders opgestelde algemene voorwaarden. In deze bepaling wordt een niet limitatieve opsomming gegeven van de onderwerpen waarop de concessievoorwaarden betrekking mogen hebben.

 

Onderdeel a is wenselijk in verband met de mogelijkheid bepaalde diensten niet aan elke concessiehouder op te dragen.

 

De onder e genoemde voorwaarde ziet op de wijze van uitvoering van de in artikel 14 lid 1  opgedragen diensten.

 

De onder f genoemde voorwaarde strekt tot het waarborgen van de samenwerking tussen de rechtspersoonlijkheid bezittende concessiehouders.

 

De onder h en i bedoelde voorwaarden hebben betrekking op de organisatorische maatregelen welke door de concessiehouders dienen te worden genomen tot het waarborgen van het telegraaf- en telefoongeheim en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers.

 

Het bepaalde onder j tenslotte, maakt het mogelijk de concessiehouders te verplichten tot het verstrekken van al die informatie welke de TAS nodig heeft voor de uitoefening van het toezicht op de door de concessiehouders als zodanig uit te voeren taken.

 

Lid 4

 

Bij het nemen van dergelijke besluiten, zal de TAS zich baseren op de uit rapportages verkregen gegevens betreffende de kostenstructuur en de belangen van gebruikers, hetgeen voorts een gezonde mededinging moet bevorderen.

 

Artikel 20

 

Dit artikel voorziet in een regeling voor de inwerkingtreding van wijziging en intrekking van de concessie krachtens de in artikel 19 vastgestelde concessievoorwaarden. Teneinde de concessiehouders de gelegenheid te geven de noodzakelijke maatregelen te nemen om hun bedrijfsvoering aan te passen aan de vastgestelde wijziging, is in dit artikel bepaald dat deze concessievoorwaarden niet eerder van kracht worden dan een jaar na de vaststelling daarvan, tenzij de concessiehouder zelf kan instemmen met een kortere termijn. Een uitzondering hierop vormt het geval dat de Minister van oordeel is dat een door hem aangegeven algemeen belang een kortere termijn voor het van kracht worden dringend vordert.

 

Artikel 21

 

De achtergrond voor dit artikel is gelegen in enerzijds het profijtbeginsel (concessieverlening) en anderzijds de zorg die de overheid in het algemeen heeft voor adequate uitvoering van de aan een concessiehouder opgedragen diensten. In het algemeen belang is toezicht op de concessiehouders vereist. Dit artikel is naar de mening van de Regering noodzakelijk teneinde de TAS te verzekeren van een vergoeding van de zijde van de concessiehouders voor de kosten verbonden aan het verlenen van de concessie, voor het houden van toezicht op de naleving van de wet en de uitvoeringsregelgeving daarvan. Tenslotte ook voor die taken die de TAS, na beëindiging van de door TELESUR ingevolge artikel 5 van het Decreet C-38 van 24 december 1980 (S.B. 1980 no. 140, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2000 no. 63) uitgeoefende publiekrechtelijke taken, als zelfstandig bestuursorgaan zal dienen blijven te vervullen en die strekken tot behartiging van telecommunicatie-aangelegenheden in het algemeen belang. Waar mogelijk zullen deze taken namens de Regering door de TAS worden vervuld, zoals bijvoorbeeld krachtens artikel 3 lid 1 onder f. Deze taak werd onder de vigeur van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 door TELESUR verricht op grond van artikel 5 lid 3 van het Decreet C-38.

 

Artikel 22

 

Ingevolge artikel 10 van de Grondwet heeft iedereen het recht bij aantasting van zijn rechten en belangen de rechter te adiëren. Dit zelfde recht is neergelegd in de artikelen 8 en 25 van de American Convention on Human rights, waarbij Suriname partij is. Dit betekent dat de toegang tot de rechter niet kan worden vervangen door een geschillenbeslechting door de TAS. Wel kan overeenkomstig artikel 135 van de Grondwet in eerste instantie het beslechten van geschillen door middel van een administratief beroep worden gerealiseerd, onverminderd het beroep bij de rechter.

 

Artikel 23

De voorzitter van de geschillencommissie wordt verondersteld onafhankelijk en onpartijdig te zijn. Het is wenselijk een voorzitter aan te wijzen met een juridische achtergrond ervan uit gaande dat bij geschillen de kennis van wet en regelgeving en handhaving daarvan vereist is.

§ 5. Nummerbeheer

 

Artikel 24

 

In het algemeen gedeelte van deze memorie van toelichting is het belang van het nummerbeheer uiteengezet (Hoofdstuk 1, § 3, onder 7). De TAS is belast met de zorg voor het beheer van de nummers. Daartoe stelt zij een nummerplan vast waarin de beleidsuitgangspunten ten aanzien van het nummerbeheer alsmede de verdeling van de nummers naar hun bestemming zijn neergelegd. De feitelijke uitgifte en reservering van nummers geschieden ingevolge lid 3 door de TAS. Voor wat betreft concessiehouders gaat het daarbij veelal om nummerreeksen of –blokken; immers de concessiehouders wijzen zelf nummers toe aan hun individuele gebruikers. Soms echter zal de TAS zelf nummers toewijzen aan bijvoorbeeld aanbieders van telecommunicatiediensten (niet-concessiehouders) zoals carrier select of internet-toegang of voor openbare hulpverleningsdiensten.

 

In beginsel kan een ieder die nummers nodig heeft bij de TAS een aanvraag indienen om toekenning of reservering van één of meer nummers. Zowel concessiehouders in hun hoedanigheid van aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur, als aanbieders van openbare telecommunicatiediensten - zoals bijvoorbeeld informatiediensten - komen in beginsel voor het doen van een aanvraag en daarmee voor toewijzing van nummers in aanmerking.

 

Artikel 25

 

In artikel 25 is een regeling opgenomen voor de gronden van weigering van de toekenning of reservering van een nummer.

 

De weigeringsgronden, die zijn opgenomen in lid 1 hebben een dwingend karakter, zodat gekozen is voor de term "wordt geweigerd", terwijl de weigeringsgronden van lid 2 beleidsvrijheid geven door te spreken van "kan worden geweigerd".

 

 

Artikel 26

 

Ten aanzien van intrekking van het toegekende of gereserveerde nummer is in artikel 26 dezelfde constructie gehanteerd als in artikel 25 ten aanzien van de weigering.

 

Artikel 27

 

Het in dit artikel bedoelde nummerregister is essentieel teneinde, met het oog op verzoeken om toekenning of reservering van een nummer, te kunnen bezien welke nummers van een bepaald nummerplan reeds in gebruik zijn dan wel welke nummers reeds gereserveerd zijn. Hierdoor wordt voorkomen dat nummers of nummerreeksen  meer dan één keer worden toegekend of gereserveerd.

 

Artikel 28

 

Dit artikel spreekt eigenlijk voor zich. In het Staatsbesluit wordt een aantal partijen en overwegingen opgesomd waarmede rekening moet worden gehouden, voorts hoe zo een nummerplan tot stand komt en enige richtlijnen voor het beheer. Zoals artikel 27 al aangeeft berust het beheer van het nummerregister bij de TAS, maar een ieder kan dit register inzien.

 

Artikel 29

 

De in lid 1 opgenomen bepaling strekt ertoe te verbieden dat andere nummers worden gebruikt voor een bestemming waarvoor in het nummerplan nummers zijn vastgesteld. De in lid 2 opgenomen verbodsbepaling is de andere kant van de medaille en houdt in dat een in een nummerplan opgenomen nummer slechts mag worden gebruikt voor de bestemming die in het nummerplan aan dat nummer is gekoppeld, indien dit gebruik plaatsvindt op grond van een toekenning door de TAS. Hierbij zij opgemerkt dat van gebruik op grond van een toekenning ook sprake kan zijn indien men zelf geen nummerhouder is, namelijk in het geval waarin  het nummer wordt gebruikt met toestemming van degene die het nummer door de TAS heeft toegekend gekregen.

 

§ 6. Nummeridentificatie

 

Artikelen 30 en 31

 

De dienst nummeridentificatie houdt in eerste instantie in, dat het nummer van de oproeper automatisch verschijnt op het schermpje van de opgeroepene. Bij mobiele telecommunicatienetten is dit een gebruikelijke voorziening. Bij vaste netten is deze identificatie (nog) niet altijd mogelijk en bovendien moet men dan over een telefoontoestel met schermpje (display) beschikken. Er zijn echter gevallen waarin de oproeper er de voorkeur aan geeft zich niet te identificeren en daarom dient de concessiehouder aan de oproeper de mogelijkheid te bieden om doorgifte van zijn nummer te blokkeren of uit te schakelen. Op dit laatste moet een uitzondering worden gemaakt wanneer het gaat om een oproep naar een alarmnummer voor een publieke hulpverleningsdienst (politie, ambulance, brandweer). Het is dan van levensbelang dat het nummer respectievelijk naam en adres van de oproeper bekend zijn om een snelle hulpverlening te realiseren. Daarom moet aan beheerders van alarmnummers de mogelijkheid worden geboden de eventuele blokkering van de doorgifte van het nummer van de oproeper ongedaan te maken (te deblokkeren). Deze deblokkeringmogelijkheid is ook gewenst in het kader van de bestrijding van misbruik van alarmnummers. De verstrekking van adresgegevens vormt echter een beperking van het in artikel 17 van de Grondwet gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De Regering meent dat deze beperking in dit geval noodzakelijk en gerechtvaardigd is, ter bescherming van de openbare veiligheid en de openbare orde, ter voorkoming van strafbare feiten of ter bescherming van de gezondheid. De nauwkeurig geformuleerde bepalingen in artikel 31 van de wet spreken voor zich.

 

§ 7. Bevoegd aftappen

 

Artikel 32

 

Deze bepaling is opgenomen ter waarborging van de bescherming van het verkeer van signalen over de telecommunicatie-infrastructuur. Niettemin is het in lid 1 opgenomen verbod niet absoluut. Enerzijds moet het mogelijk zijn dat een daartoe aangewezen medewerker van een concessiehouder bevoegd is kennis te nemen van de over de telecommunicatie-infrastructuur van de desbetreffende concessiehouder getransporteerde signalen, indien zulks in het belang van een goede uitvoering van de aan concessiehouders opgedragen diensten noodzakelijk is (lid 3). Anderzijds maakt lid 2 het mogelijk dat de Rechter-Commissaris op vordering van het Openbaar Ministerie het kennisnemen van de over een bepaalde telecommunicatie-infrastructuur getransporteerde signalen beveelt. Zulks kan evenwel alleen geschieden, indien het om het ernstig vermoeden gaat dat aan het telecommunicatieverkeer wordt deelgenomen door of in opdracht van een verdachte van een misdrijf. Terzake zijn verder de algemene regels van het Wetboek van Strafvordering van toepassing.

 

 

Artikel 33

 

Dit artikel en volgende strekken ertoe te voorkomen dat criminelen interceptie kunnen ontlopen doordat zij gebruik maken van niet-aftapbare, openbare telecommunicatiesystemen. Veel van de moderne openbare telecommunicatiesystemen zijn als gevolg van de daarin gebruikte technologie in beginsel niet of slechts moeilijk aftapbaar. Onder meer daarin schuilt voor criminelen het voordeel van het gebruik van deze systemen. Gezien de noodzaak om, in het kader van de criminaliteitsbestrijding en de veiligheid van de Staat, af te kunnen tappen, wordt als hoofdregel in dit artikel daarom voorgesteld dat aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur hun infrastructuur slechts mogen aanbieden indien die netwerken aftapbaar zijn, zodat die door de bevoegde autoriteiten kunnen worden afgetapt. Bij artikel 103 is het in artikel 33 en volgende bepaalde van overeenkomstige toepassing verklaard op de aanbieders van openbare telecommunicatiediensten.

 

De verplichting tot het aftapbaar zijn geldt vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet. In artikel 130 is een overgangsbepaling opgenomen voor reeds bestaande telecommunicatie-infrastructuur en - ingevolge artikel 103 lid 1 - openbare telecommunicatiediensten die op het moment van inwerkingtreding van de wet nog niet aftapbaar zijn. Aanbieders van dergelijke infrastructuur en diensten hebben een jaar de tijd om hun infrastructuur en diensten aftapbaar te maken.

 

Artikel 34

 

In het kader van het bevoegd aftappen is niet alleen van belang de verplichting tot het aftapbaar zijn van telecommunicatie-infrastructuur, maar evenzeer de verplichting om gevolg te geven aan een last, gegeven door een bevoegde instantie of persoon  tot aftappen. In relatie tot artikel 103 krijgt deze verplichting een ruimere werking. Zij wordt naast de concessiehouders, als aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur, van toepassing op alle aanbieders van openbare telecommunicatiediensten.

 

De medewerkingsplicht, bedoeld in de eerste volzin strekt zich uit tot het verlenen van medewerking aan de daadwerkelijke uitvoering van een bevoegd gegeven last tot aftappen. De tweede volzin heeft betrekking op een andersoortige medewerkingsverplichting: het verstrekken van informatie aan de autoriteiten die een last tot aftappen geven. De medewerkingsverplichting geldt, zoals gezegd, ingevolge artikel 94 ook voor aanbieders van openbare telecommunicatiediensten. Immers voor wat betreft het verstrekken van informatie zullen de beheerders van de infrastructuur in toenemende mate afhankelijk zijn van de aanbieders van openbare telecommunicatiediensten, bij wie steeds meer essentiële gegevens ondergebracht zijn en daarmee aangewezen zijn op onderling te sluiten privaatrechtelijke contracten of te maken afspraken (zogenaamde ketenaansprakelijkheid). Daarvan zouden dan op hun beurt ook de bevoegde instanties afhankelijk worden. Teneinde zulks te voorkomen wordt in deze wet daarom de bevoegdheid en verantwoordelijkheid ten aanzien van het aftappen en de daarmee samenhangende verplichtingen ook ten aanzien van de aanbieders van telecommunicatiediensten geëxpliciteerd. Ten behoeve van de facturering bewaren de aanbieders de zogenaamde abonneegegevens als naam, adres, woonplaats en nummer. Alleen die gegevens worden bedoeld welke door de aanbieders beschikbaar moeten worden gesteld om een bijzondere last te kunnen opstellen.

 

 

Artikel 35

 

Gegevens betreffende aftappen en informatieverstrekkingen die in het belang van de Staat geheim moeten worden gehouden en dus als staatsgeheim kunnen worden aangemerkt, dienen niet alleen bij de overheid aan een beveiligingsregime te worden onderworpen. Deze gegevens dienen ook bij de concessiehouders als aanbieders van telecommunicatie-infrastructuur en ingevolge artikel 103 ook bij de aanbieders van openbare telecommunicatiediensten op gelijkwaardige wijze en op basis van een wettelijke bepaling te worden beveiligd. De gegevens waar het hier om gaat zijn bijvoorbeeld de abonneegegevens en het feit dat er een tap geplaatst is.

 

§ 8. Overige bepalingen

Artikel 36

 

Lid 1

 

Aan de concessiehouders kan ingevolge artikel 9 lid 1 juncto het bepaalde bij of krachtens artikel 14 lid 1 én de zorg worden opgedragen voor de infrastructuurverbindingen van en naar Suriname én de verzorging over deze verbindingen van de internationale telecommunicatie.

 

De wijze van uitvoering van die internationale verbindingen en van de verzorging van de internationale telecommunicatie daarover is onderworpen aan een groot aantal internationale regelingen, waarbij Suriname betrokken is. Het gaat hier in het bijzonder om het ITU-verdrag met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen en reglementen, zoals die worden opgesteld door de daartoe bevoegde organen van de Internationale Telecommunicatie Unie en vervolgens worden aanvaard door de lidstaten.

 

Teneinde die internationale regelingen in Suriname te doen uitvoeren, wordt elke aanbieder van telecommunicatiediensten bij wet verplicht tot nakoming van de verplichtingen ten aanzien van de verzorging van het internationale telecommunicatieverkeer, welke voortvloeien uit voor Suriname bindende internationale regelingen.

 

Lid 2

 

Voor het voldoen aan de volkenrechtelijke verplichtingen van Suriname tot nakoming van internationale regelingen zal wellicht niet geheel met de regeling van lid 1 kunnen worden volstaan.

 

Op grond van lid 2 worden in een resolutie of beschikking aan aanbieders van telecommunicatiediensten voorschriften gegeven welke een goede toepassing van lid 1 waarborgen.

 

Gedacht wordt hier met name aan verplichtingen van concessiehouders om tijdig de betrokken ministers te informeren en te raadplegen, in gevallen waarin de toepassing van lid 1 moeilijkheden oplevert dan wel aan de zich op internationaal niveau voordoende problemen rond de toepassing van bedoelde internationale regelingen.

 

 

Artikel 37

 

Hoewel de schade veroorzaakt door blikseminslag aan de telecommunicatie-infrastructuur op zich een aangelegenheid is die tot de verantwoordelijkheid van de desbetreffende concessiehouder behoort, kan blikseminslag ook schade toebrengen aan de eigendommen van degene die kabels en aansluitpunten dient te gedogen. Het zou onjuist zijn deze ingeval van een ongeval de kosten van daardoor ontstane schade te laten dragen. Dit artikel verplicht de desbetreffende concessiehouder tot het treffen van voorzieningen terzake, teneinde een dergelijke schadesituatie te voorkomen. Indien de concessiehouders niet aan de verplichtingen van dit artikel voldoen, staat de TAS het bedoelde instrumentarium van hoofdstuk 13 ten dienste.

 

Deze bepalingen zijn door artikel 102 ook van toepassing op vergunninghouders voor een draadomroepinrichting.

 

Artikel 38

 

In de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 is in artikel 28 een aansprakelijkheidsuitsluiting opgenomen voor schade "ontstaan door de dienst van telegrafen en telefonen". Deze uitsluiting geldt evenwel niet voor schade ontstaan door een handeling in strijd met de artikelen 438, 439 en 440 van het Wetboek van Strafrecht.

 

In het onderhavige artikel is in vergelijking met het evengenoemde artikel 28 een beperkte uitbreiding van de aansprakelijkheid opgenomen. In lid 1 wordt aangegeven voor welke oorzaken de uitsluiting van aansprakelijkheid niet geldt. Het gaat hierbij om schade die het gevolg is van het niet of niet goed functioneren van de telecommunicatie-infrastructuur en van tekortkomingen in de uitvoering van de door de concessiehouders geleverde diensten.

 

Binnen deze grenzen bestaat voor concessiehouders slechts aansprakelijkheid voor schade, die het gevolg is van de onder a tot en met c genoemde omstandigheden.

De uitsluiting van de aansprakelijkheid betreft alle technische en menselijke fouten, behoudens voor zover het schade betreft die:

 

a.      heeft geresulteerd in dood of lichamelijk letsel. Technische gebreken in de telecommunicatie-infrastructuur zullen veelal geen gevolgen hebben voor personen of zaken. Denkbaar is echter dat zich toch situaties voordoen waarin gebruikers van de diensten aan een plotseling gevaar worden blootgesteld. Indien dit de dood of lichamelijk letsel bij gebruikers ten gevolge zou hebben, dient aansprakelijkheid niet zonder meer te worden uitgesloten. Opneming van deze aansprakelijkheid betekent een verruiming ten opzichte van de huidige situatie.

 

b.      resulteert in een handelen in strijd met de genoemde artikelen van het Wetboek van Strafrecht, welke strekken tot bescherming van het telegraaf- en telefoongeheim door het personeel belast met de telegraaf- en telefoondienst.

 

c.       leidt tot fouten bij het verstrekken, verwerken, of beheren van gegevens betreffende gebruikers van de dienstverlening. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het ten onrechte afsluiten van telefoonabonnees wegens vermeende wanbetaling, foutieve naamsvermeldingen in gidsen, of het ten onrechte achterwege blijven van dergelijke vermeldingen. Het betreft hier een verruiming van de aansprakelijkheid ten opzichte van de huidige regelgeving.

 

De hier weergegeven regeling vormt in verschillende opzichten een afwijking van de algemene aansprakelijkheidsregels. Een gebruiker van de diensten van concessiehouders die schade lijdt, kan ongeacht de grond voor aansprakelijkheid slechts in de besproken omstandigheden concessiehouders aansprakelijk houden. De rechtvaardiging van deze regel moet worden gevonden in de aard van de dienstverlening en in het belang dat met de regel wordt gediend.

 

Het aanvaarden van een ruimere aansprakelijkheid in het telecommunicatieverkeer, met zijn ontelbare verbindingen per dag, zou met zich meebrengen dat de kosten voor het elektronische transport van signalen door concessiehouders onaanvaardbaar hoog zouden zijn. Dit zou in strijd zijn met het algemeen belang van het verrichten door concessiehouders van krachtens de wet verplicht te verlenen diensten tegen maatschappelijk aanvaardbare tarieven.

 

Om deze reden is in het voorstel dan ook vooralsnog slechts gekozen voor een beperkte uitbreiding van de aansprakelijkheid ten opzichte van de Telefoon- en Telegraafwet 1945. Niet wordt uitgesloten dat in de toekomst een verdere uitbreiding van de aansprakelijkheid wenselijk kan zijn. Gezien de vele technische onzekerheden en de daarmee samenhangende organisatorische vragen, kan daar echter thans nog niet op worden vooruitgelopen.

 

Lid 2

 

Bij staatsbesluit zullen ter uitvoering van dit artikel limieten worden vastgesteld die de aansprakelijkheid overeenkomstig lid 1 niet overschrijdt. Volgens de algemene regels van het schadevergoedingsrecht dient in het algemeen de benadeelde zelf de omvang van zijn schade te bewijzen. Het deel van de schade dat de limiet overschrijdt komt echter niet voor vergoeding in aanmerking. In de tekst van de bepaling is ruimte geschapen om voor verschillende diensten of voor verschillende gebeurtenissen, die de schade hebben veroorzaakt, afzonderlijke limieten te stellen.

 

Lid 3

 

Het in dit lid bepaalde komt niet in het bovengenoemde artikel 23 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 voor. Voor eigen opzettelijk handelen of daarmee gelijk te stellen handelen kan naar de mening van de Regering op de uit de voorgaande leden voortvloeiende beperking van de aansprakelijkheid geen beroep gedaan worden.

 

Artikel 39

 

Dit artikel voorziet in de aansprakelijkheid in het kader van het internationale telecommunicatieverkeer. Opneming van deze bepaling is nodig, omdat de regels van het ITU-verdrag voor de burgers niet rechtstreeks bindend zijn. De geformuleerde regel brengt mee dat concessiehouders niet verder aansprakelijk zijn dan uit hoofde van de bepalingen voortvloeiende uit eerdergenoemd verdrag waarbij Suriname partij is.

 

Op dit moment bestaat internationaal terzake geen enkele aansprakelijkheid. Teneinde ruimte te laten voor directe inpassing van eventuele toekomstige veranderingen in dit stelsel is de voorgestelde formulering verkozen boven een algehele uitsluiting van aansprakelijkheid, overeenkomstig de huidige internationale regeling.

 

 

Hoofdstuk 4

Universele Dienstverlening

 

Onder "universele dienst" wordt verstaan: een samenstel van de volgende elementen: een voor een ieder beschikbaar en betaalbaar, geharmoniseerd basispakket aan diensten en faciliteiten, dat aan bepaalde kwaliteitscriteria voldoet.

De Regering acht het nodig om wettelijke voorzieningen te treffen voor de universele dienstverlening vanuit het oogpunt dat, als het nodig is, over de wettelijke instrumenten kan worden beschikt om stappen te ondernemen.

 

Bij de invulling van het concept van de universele dienstverlening is een aantal punten van belang. Het gaat erom:

1.       wat het basispakket aan universele dienstverlening in Suriname zou moeten omvatten en wat de mate van tariefregulering zou moeten zijn;

2.       of en op welke wijze zonodig gekomen kan worden tot een opdracht aan een marktpartij om deze universele dienstverlening te verzorgen;

3.       hoe een eventueel netto tekort bij de uitvoering van de universele dienstverlening gefinancierd moet worden en door welke marktpartijen.

 

 

Ad 1. Bij de beantwoording van de eerste vraag wordt ten aanzien van de omvang van het basispakket uitgegaan van een basisvoorziening die voor een ieder beschikbaar moet zijn. Dit houdt een restrictieve benadering in. Het gaat immers om een basisvoorziening. Vele andere zaken moeten in ieder geval aan de markt worden overgelaten. Deze basisvoorziening betreft het volgende:

-          vaste spraaktelefoniedienst (van zodanige kwaliteit dat faxverkeer door middel van modem mogelijk is);

-          beschikbaarheid van voldoende openbare telefooncellen;

-          gratis toegang tot nationale en internationale alarmnummers;

-          beschikbaarheid van telefoongidsen waarin alle gebruikers van de vaste spraaktelefoniedienst voorkomen;

-          een gebruikersinformatie- en inlichtingendienst waar in beginsel de nummers van alle gebruikers die zijn aangesloten op netwerken voor vaste en mobiele spraaktelefonie worden verstrekt.

 

Wat betreft de tariefregulering voor de universele beschikbare telefoondienst acht de Regering het goed mogelijk om de maatschappelijke vereisten te combineren met een zo gering mogelijke interventie in de markt. Uitgangspunt daarbij is dat het niet gewenst is dat de tarieven voor die basisdienst voor bepaalde gebruikers verhoogd zouden kunnen worden  tot een maatschappelijk niet aanvaardbaar niveau, omdat de concurrentie daar nog onvoldoende ontwikkeld is. Dit zou tegengegaan moeten worden zelfs als die maatschappelijk aanvaardbare tarieven niet geheel de kosten dekken. Dit brengt met zich mee dat het wel mogelijk moet zijn dat de tarieven omlaag kunnen gaan. Dat is immers ten gunste van de consument. Het lijkt daarom gewenst dat een tarief wordt vastgesteld dat niet mag worden overschreden. Dit betreft dan de tarieven, die gelden voor de basistelefoonvoorziening voor de particuliere gebruiker. Daar heeft de overheid immers in dit kader een maatschappelijke taak.

 

Ad 2. Het tweede punt betreft de vraag of en zo ja op welke wijze gekomen kan worden tot een opdracht gegeven, kan worden aan een marktpartij om deze universele dienstverlening te verzorgen. Hierbij stelt de Regering zich voor een methode te hanteren die er in eerste instantie uitgaat van de werking van het marktmechanisme. De Regering stelt voor, waar nodig, nadere afspraken te maken met de concessiehouders, mede met het oog op de ontsluiting van het binnenland.

 

Artikel 40 lid 3

 

Het is noodzakelijk om informatie, communicatie en technologische ontwikkelingen via een centraal orgaan te begeleiden. In dit kader wordt voorgesteld om via een staatsbesluit een nationaal Informatie, Communicatie en Technologisch Instituut (ICT instituut) in te stellen. Dit Instituut zal rechtstreeks ressorteren onder de President, die een Minister uit de Regering kan belasten met de uitvoering. Er is voor gekozen dit Instituut onder te brengen in deze wet, omdat alle ICT ontwikkelingen gebruik moeten maken van de telecommunicatie-infrastructuur. Ter financiering van dit Instituut zullen alle dienstverleners van telecommunicatiediensten, inclusief de concessiehouders, verplicht worden gesteld een bijdrage te leveren aan de fondsvorming ter ondersteuning van de ontwikkeling van ICT.

 

Het Instituut zal een samenwerking zijn van de overheid, de Universiteit, de private sector en de niet-gouvernementele organisaties.

 

 

Hoofdstuk 5

Telecommunicatie-inrichtingen van bijzondere aard of beperkte omvang

§ 1. Inleidende bepaling

Artikel 44

 

Deze bepaling brengt tot uitdrukking de verhouding tot de concessieregeling, neergelegd in artikel 9, en de uitzonderingen voor telecommunicatie-inrichtingen van bijzondere aard of beperkte omvang, waarvan het aanwezig hebben, aanleggen, ontwikkelen, gebruiken of exploiteren kan worden toegestaan.

 

Uitgangspunt van de in het voorstel neergelegde regeling is, dat voor telecommunicatie, die de openbare grond overschrijdt, in beginsel gebruik dient te worden gemaakt van de door concessiehouders aangeboden telecommunicatie-infrastructuur.

 

Dit geldt zowel voor eigen gebruik, d.w.z. particulier gebruik of gebruik voor de eigen beroeps- of bedrijfsuitoefening als voor het exploiteren (tegen vergoeding aan derden aanbieden) van diensten voor anderen.

 

Het vergunningsregime houdt in dat in bepaalde gevallen door het verlenen van een vergunning, anderen dan concessiehouders in staat worden gesteld tot:

 

-  het aanleggen, ontwikkelen en gebruiken van zend- en ontvanginrichtingen;

 

-  het aanleggen, ontwikkelen en exploiteren van draadomroepinrichtingen van bij die  vergunning expliciet omschreven (in beginsel beperkte) omvang.

 

In het belang van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie is het noodzakelijk het gebruik dan wel de exploitatie van de hiervoor bedoelde toegestane inrichtingen aan bepaalde beperkingen te onderwerpen.

 

Er dient te worden voorkomen dat met voorzieningen waarvoor vergunning is verleend, parallel-structuren ontstaan ("by-pass") waarmee afroming van de exploitatie van de geconcessioneerde infrastructuur kan plaatsvinden. Dat wil zeggen dat ten behoeve van openbare telecommunicatiediensten (bijvoorbeeld telefonie of huurlijnen), verbindingen tot stand worden gebracht, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van schakelpunten (centrales) en andere voorzieningen in de geconcessioneerde infrastructuur, zoals bijvoorbeeld transmissiewegen.

Derhalve zal in voorkomende gevallen in de vergunningsvoorwaarden duidelijk worden aangegeven dat de inrichting alleen mag worden gebruikt voor de specifieke doeleinden van de vergunninghouder en niet voor enige vorm van openbare dienstverlening die via de geconcessioneerde infrastructuur beschikbaar is.

 

By-pass van de telecommunicatie-infrastructuur houdt in dat telecommunicatieverbindingen tot stand worden gebracht, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van schakelpunten (centrales) en andere voorzieningen in de infrastructuur, zoals transmissiebundels tussen schakelpunten.

 

§ 2. Radio-elektromagnetische zend- en ontvanginrichtingen

Artikel 45

 

Dit artikel is erop gericht bijvoorbeeld ook bouwpakketten waaruit een radio-elektromagnetische zendinrichting kan worden samengesteld onder het regime van artikel 44 te brengen.

 

Artikel 46

 

Het artikel bevat ten aanzien van radio-elektromagnetische zendinrichtingen een regeling welke overeenkomt met die van artikel 3 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 en de daarvan in de praktijk gegeven toepassing.

 

De formulering "anders dan krachtens concessie" houdt in dat concessiehouders geen vergunning behoeven indien de radio-elektromagnetische zendinrichting onderdeel uitmaakt van de telecommunicatie-infrastructuur.

 

Leden 1 en 2

 

Lid 1 komt qua strekking in belangrijke mate overeen met artikel 3 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945.

 

In lid 2 moet men bijvoorbeeld denken aan de zg. Low power devices zoals deuropeners of afstandsbedieningen voor TV toestellen etc. Gebruikers daarvan behoeven geen vergunning te hebben. Echter, dit soort apparatuur zal wel degelijk aan gedefinieerde technische eisen moeten voldoen.

 

Door de introductie van nieuwe systemen in de afgelopen jaren als "paging" en "trunking" is het noodzakelijk de opzet van het evengenoemde artikel 3 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 in die zin aan te passen, dat in dit artikel thans ook ruimte wordt geboden voor de exploitatie van radio-elektromagnetische zend- en ontvanginrichtingen. Bij genoemde systemen is de vergunninghouder in beginsel niet zelf gebruiker, maar exploiteert hij het systeem door het gebruik ervan tegen betaling aan te bieden. Het zou ondoenlijk zijn om in deze gevallen van iedere gebruiker van een dergelijk systeem een afzonderlijke vergunning te vereisen. De gebruiker ontleent zijn gebruiksrecht aan de vergunning van de exploitant. De laatste betaalt de vergunningsrechten. Voor zover deze jaarlijks worden geheven, zullen deze worden gebaseerd op het aantal aansluitingen dat wordt gebruikt. Zulks is evenwel niet van toepassing bij trunking-systemen. In dit geval blijven de gebruikers namelijk in staat ook als de (trunking-)centrale uitvalt hun apparatuur onderling te gebruiken. Betrokkenen krijgen alleen niet zelfstandig een frequentie toegewezen. Deze worden aan de exploitant van het systeem toegewezen. De gebruikers mogen zich slechts van de aan de exploitant toegewezen frequenties bedienen.

 

Leden 3, 4 en 5

 

De leden 3, 4 en 5 bevatten het wettelijke kader voor de nadere regeling terzake de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van radio-elektromagnetische zendinrichtingen.

Lid 3 biedt de grondslag voor het treffen van die nadere regeling. Het bepaalt, dat de nadere regeling zowel betrekking heeft op de in lid 1 bedoelde vergunningen als op de aanleg, aanwezigheid en het gebruik van die zendinrichtingen, ongeacht of daarvoor een vergunning is vereist. Deze laatste bijzin is ter wille van de duidelijkheid aan het slot van het bepaalde onder b toegevoegd. De regeling dient ter waarborging van het doelmatig gebruik van de ether maar voor bepaalde onderdelen is zij dienstig voor een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang.

 

Deze strekking van de te treffen nadere regeling is opgenomen in lid 4.

Lid 5 geeft een nadere uitwerking van het regelingsgebied in lid 3.

 

Lid 6

 

In lid 6 is een regeling opgenomen voor de gronden van weigering van een vergunning voor een radio-elektromagnetische zendinrichting.

 

De weigeringsgronden in lid 6 hebben een dwingend karakter, vandaar dat gekozen is voor de term "wordt geweigerd". Lid 6 onder a voorziet in weigering van een vergunning, indien de verlening daarvan in strijd zou zijn met de regels vastgesteld in lid 3.

 

Zoals hiervoor is uiteengezet wordt deze regelstelling genormeerd door de in lid 4 gegeven belangenregeling en de in lid 5 opgenomen opsomming van onderwerpen.

Het bepaalde in lid 6 onder c strekt tot bescherming van concessiehouders. De TAS is verplicht een vergunning te weigeren, als het verlenen daarvan concessiehouders in de uitoefening van de opgedragen nutstaken zou kunnen schaden. Als voorbeeld kan in dit verband worden genoemd de radioverbindingen tussen vaste punten (bijvoorbeeld de straalverbindingen). Deze verbindingen vallen onder de concessie en komen ter voorkoming van by-pass en afroming van de aan concessiehouders opgedragen taken niet voor vergunningverlening in aanmerking.

 

De onder d van lid 6 genoemde weigeringsgrond beoogt te voorkomen, dat een vergunning wordt verleend voor bijvoorbeeld een lokale omroepzender, terwijl voor het verspreiden van programma's via deze zender geen toestemming is verkregen.

 

Lid 9

 

De gronden onder b en c vormen het complement van het wettelijke kader waarbinnen, op grond van lid 3, vergunningen kunnen worden verleend. Het kan immers zijn dat, op het moment van de aanvraag voor een vergunning, er geen aanleiding is de vergunning te weigeren wegens strijd met een doelmatig gebruik van de ether of een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang, maar dat op een later tijdstip een zodanige situatie alsnog ontstaat.

 

Teneinde hierin te voorzien zou een aantal vergunningen aan een beperkte duur moeten worden gebonden, hetgeen evenwel tot onzekerheid zou leiden over een eventuele verlenging ervan.

 

Daarom is gekozen voor deze algemene intrekkingsgronden. Uiteraard kan een dergelijke intrekking slechts geschieden na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen. In geval van intrekking zal dan voorts een redelijke termijn in acht dienen te worden genomen.

 

Artikel 47

 

De telecommunicatie-infrastructuur dient in het algemeen maatschappelijk belang zo doelmatig en rendabel mogelijk te worden gebruikt.

 

Het gebruik van telecommunicatie-inrichtingen om voor derden de diensten, omschreven krachtens artikel 14 leden 1 en 2, te verzorgen, kan leiden tot een parallellisatie van de telecommunicatie-infrastructuur en afroming van de aan concessiehouders opgedragen diensten.

 

Het in artikel 47 lid 1 onder a en b opgenomen verbod strekt tot voorkoming hiervan. Het is echter wel toegestaan de in dit lid bedoelde inrichtingen te gebruiken om voor derden andere vormen van telecommunicatie zoals tele-informatiediensten te verzorgen, mits met gebruikmaking van de telecommunicatie-infrastructuur.

 

Lid 2 voorziet in de mogelijkheid van ontheffing van het in lid 1 gestelde verbod voor bepaalde radiotoepassingen. De ontheffingsmogelijkheid is nodig voor bepaalde vormen van besloten mobiele communicatienetten voor gebruik binnen een bepaalde categorie van gebruikers, zoals taxicentrales en oproepdiensten (paging), teneinde deze aan hun directe maatschappelijke bestemming te laten beantwoorden, zonder dat daardoor een onevenredige schade wordt toegebracht aan concessiehouders.

 

De in lid 5 genoemde uitzondering is noodzakelijk onder meer in verband met het gebruik van radio-elektromagnetische zendinrichtingen voor omroepprogramma's.

Het verbod heeft geen betrekking op draadomroepinrichtingen aangezien voor deze inrichtingen wel een vergunning kan worden verleend voor exploitatie daarvan, zij het voor een beperkt doel.

 

Artikel 48

 

Dit artikel biedt de mogelijkheid voor de vaststelling van procedureregels voor de totstandkoming van besluiten tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing voor radio-elektromagnetische zendinrichtingen, in die gevallen waarin de bij de besluiten betrokken belangen dit rechtvaardigen.

 

 

Artikel 49

 

Leden 1 en 2

 

In dit artikel worden regels vastgesteld met betrekking tot radio-elektromagnetische ontvanginrichtingen. Op grond van dit artikel kunnen geen regels worden vastgesteld met betrekking tot ontvangers die uitsluitend zijn bestemd voor de ontvangst van omroep-programma's. Het begrip omroepprogramma is gedefinieerd in artikel 1 onder t.

 

Ten aanzien van omroepprogramma's kunnen uitsluitend op grond van artikel 69 regels worden vastgesteld in het kader van de storingspreventie en immuniteit.

 

Lid 3

 

Op de aanleg, aanwezigheid en het gebruik van ontvanginrichtingen, die niet uitsluitend zijn bestemd voor de ontvangst van omroepprogramma's, is lid 3 van toepassing. De in dit lid opgenomen regel houdt in de eerste plaats in, dat deze ontvangstations moeten voldoen aan bepaalde technische eisen op het punt van elektromagnetische compatibiliteit.

 

Krachtens deze regeling, kan het vereiste van een vergunning voor de aanleg, aanwezigheid en het gebruik van deze ontvangstations, alleen worden gesteld in het belang van de bescherming van de rechten van derden (hiertoe nopen bijvoorbeeld het ITU-verdrag en de bij dat verdrag annex Radio Regulations, het Intelsat-verdrag en de verdragen op het gebied van het auteursrecht).

 

Het stellen van het vereiste van een vergunning zal zich met name voordoen bij ontvangers van (b.v. gecodeerde) signalen van satellieten (niet zijnde omroepprogramma's) en zogenaamde "descramblers".

 

Dit brengt met zich mede dat de aanleg, aanwezigheid en gebruik van ontvangstations welke bestemd zijn voor of onderdeel uitmaken van (inter)nationale telecommunicatieverbindingen van concessiehouders of daarmee gelijkgestelde instellingen, deel uitmaken van de telecommunicatie-infrastructuur van concessiehouders.

 

 

Artikel 50

 

De in deze bepaling gekozen oplossing voorkomt dat veelal tijdelijk op Surinaams grondgebied aanwezige vreemde schepen of luchtvaartuigen voor aan boord aanwezige zend- of ontvanginrichting een vergunning zouden behoeven op grond van artikel 46 lid 1 van de wet.

§ 3. Draadomroepinrichtingen

Artikel 51

 

In verband met de betaaltelevisiesystemen wordt het wenselijk geacht afzonderlijke aandacht te besteden aan draadomroepinrichtingen.

 

Er wordt voorts op gewezen dat de definitie van draadomroepinrichting zoals opgenomen in artikel 1 onder d, de ruimte laat dat in het kader van een draadomroepinrichting gebruik gemaakt wordt van radioverbindingen. Het door de lokale betaaltelevisiemaatschappijen gehanteerde MDDS-systeem (micro-wave verbindingen) valt daar dan ook onder.

 

Lid 1

 

Krachtens de ingevolge artikel 9 verleende concessie is de houder daarvan bevoegd alle vormen van draadomroepinrichtingen aan te leggen, in stand te houden en te exploiteren.

 

Lid 2

 

Bij inrichtingen van zeer geringe omvang wordt - bij de huidige stand van de techniek - gedacht aan kleine antenne-inrichtingen voor enkele woningen waarbij geen trajectversterker(s) of frequentie-omzetter(s) worden toegepast.

 

Lid 3

 

Onderdeel a

Bij een te stellen termijn zal uiteraard rekening moeten worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting en de ten behoeve daarvan te verrichten investeringen en de verwachte economische levensduur van de inrichting.

 

Onderdeel b

De omvang van een inrichting waarvoor een vergunning kan worden verleend, kan worden bepaald door het aantal woningen of het door de inrichting te bedienen gebied.

Aan centrale antenne-inrichtingen kan bij het verlenen van een vergunning een gebied toegewezen worden, waarbinnen de vergunninghouder de aansluitplicht heeft en, met uitsluiting van anderen, het recht heeft aansluitingen te realiseren.

 

Onderdeel c

Verwacht wordt dat het in toenemende mate toepassen van glasvezels, waarvan de capaciteit aanzienlijk is, tot gemeenschappelijk gebruik van lokale telecommunicatie-infrastructuur door de concessionaris(sen) en vergunninghouders zal kunnen leiden.

 

In verband met mogelijk kwaliteitsverlies en zelfs storing is het gewenst technische eisen te kunnen stellen aan kabelnetten, zulks ter bescherming van de belangen van de aangeslotenen. Dit speelt te meer daar in de toekomst ook over de infrastructuur van een draadomroepinrichting interactieve communicatiediensten, waarbij dus niet alleen sprake zal zijn van de ontvangst, zullen worden aangeboden.

 

Onderdeel e

De in dit onderdeel bedoelde keuring zal dienen te worden verricht voordat de inrichting in gebruik genomen wordt. Zulks is van belang ter voorkoming van de ingebruikname van ondeugdelijke apparatuur en de storing die dergelijke apparatuur in andere apparaten kan teweegbrengen. De keuring van aan een draadomroepinrichting verbonden kabelnet vloeit logischerwijs voort uit het ingevolge onderdeel c aan kabelnetten stellen van technische eisen.

 

Onderdeel h

Dit onderdeel strekt ertoe regels te kunnen vaststellen terzake de deskundigheid van degenen die belast zijn met de installatie van een draadomroepinrichting.

 

Onderdelen j en k

Verwezen wordt naar hetgeen hierover is uiteengezet bij artikel 49 lid 3.

 

Lid 4

 

Omdat een vergunning niet alleen wordt verleend voor het aanleggen, doch ook voor het ontwikkelen en exploiteren van draadomroepinrichtingen, dienen er, met het oog op de bescherming van de aangeslotenen, voldoende waarborgen te zijn voor de continuïteit van de exploitatie.

Bij toetsing van een aanvraag voor een vergunning kunnen naast technische, ook exploitatieve aspecten een aanvullende rol spelen. Lid 4 onder b regelt de weigeringsgronden terzake.

 

Lid 6

 

Dit lid strekt ertoe uit een oogpunt van harmonisatie ten aanzien van draadomroepinrichtingen dezelfde procedureregels van toepassing te verklaren als die welke krachtens artikel 48 zijn vastgesteld voor radio-elektromagnetische zend- en ontvanginrichtingen.

 

Artikel 52

 

Leden 1 en 2

 

Om te voorkomen dat met een draadomroepinrichting diensten worden aangeboden die overeenkomen met telefoonverkeer en daarmee vergelijkbaar verkeer - waarmee dus de aan concessiehouders opgedragen diensten worden uitgehold - is bepaald dat voor extra toepassingen van een draadomroepinrichting een aanvullende vergunning is vereist. Deze zal alleen worden verleend, indien duidelijk is dat daarmee uitgesloten is dat uitwisseling van signalen plaatsvindt tussen willekeurige aangeslotenen, zoals bij de telefoondienst.

Toepassingsgebieden waaraan te denken valt, zijn bijvoorbeeld: alarmering, bewaking, meteraflezing, telemetrie, interactieve videotex, telebanking en teleshopping.

 

Voorwaarde voor de toelating van het gebruik van draadomroepinrichtingen als transportmiddel is, dat het transport niet wordt gebruikt voor de uitwisseling van signalen tussen willekeurige aangeslotenen, zoals bijvoorbeeld bij de telefoondienst. De reden voor deze voorwaarde is dat het gebruik van een draadomroepinrichting als transportmiddel, voor andere doeleinden dan voor het verspreiden van programma's, niet mag leiden tot parallellisatie van de telecommunicatie-infrastructuur of afroming van de aan de concessiehouders opgedragen diensten.

 

Hierbij dient bedacht te worden dat de concessiehouders een verzorgings- en aansluitplicht hebben en landelijke tarieven en voorwaarden moeten hanteren. Een kabelexploitant staat het evenwel vrij - uiteraard binnen het geldende wettelijke kader - bedoelde diensten al dan niet aan te bieden; daarbij kan hij  zelf zijn tarieven bepalen.

 

 

Lid 3

 

Onderdeel d

Het bepaalde in dit onderdeel heeft betrekking op de bescherming van de rechten ten aanzien van de signalen die door de afzender worden uitgezonden en bestemd zijn voor (een) bepaalde geadresseerde(n) met wie de afzender een overeenkomst heeft gesloten of aan wie de afzender toestemming heeft verleend voor het ontvangen en verspreiden van die signalen.

 

Onderdeel e

Dit onderdeel ziet op de voorwaarden, die in internationale regelingen zijn vervat ten aanzien van het verspreiden van signalen, die door telecommunicatiesatellieten worden uitgezonden. De bekendste voorbeelden van de hier bedoelde signalen zijn de uitzendingen van programma's door middel van telecommunicatiesatellieten. De signalen waarvoor de uitzenders de auteursrechten voor eigen rekening nemen, mogen alleen worden ontvangen en doorgegeven door de exploitanten van een draadomroepinrichting, waarmee een overeenkomst is gesloten.

Uitdrukkelijk wordt erop gewezen dat programma's die worden uitgezonden door een omroepsatelliet, hier niet onder vallen. Voor de ontvangst hiervan  en het uitzenden van dergelijke, qua definitie voor ontvangst, voor het algemene publiek (iedereen dus) bestemde programma's, gelden dezelfde regels als voor het ontvangen en uitzenden van door aardse omroepzenders uitgezonden programma's.

 

Lid 4

 

Het in dit lid opgenomen weigeringscriterium strekt ertoe concessiehouders te beschermen. Een in dit artikel bedoelde vergunning kan immers voor de concessiehouders dezelfde gevolgen hebben als een vergunning voor verbindingen als bedoeld in de artikelen 46 en 53. Hier komt nog bij dat een op grond van dit artikel verleende vergunning mag worden gebruikt voor het zelfstandig exploiteren van een draadomroepinrichting ten behoeve van diensten met betrekking tot de telecommunicatie, bedoeld in lid 2 van dit artikel.

 

§ 4. Kabelinrichtingen niet zijnde draadomroepinrichtingen

Artikel 53

 

Lid 1

 

In artikel 3 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 is bepaald, dat een vergunning vereist is voor onder meer:

 

a.         de aanleg en het gebruik van niet voor het openbaar verkeer bestemde radiotelegrafen en -telefonen en

b.                   inrichtingen, niet zijnde al dan niet voor het openbaar verkeer bestemde telegrafen en telefonen, doch niettemin bestemd zijn voor het door middel van kabels in enigerlei vorm overbrengen van signalen;

 

indien zij in, op of boven openbare gronden worden of zijn aangelegd dan wel tegen betaling in gebruik worden gegeven.

 

De toenmalige wetgever heeft met die bepaling beoogd het belang van de voor het openbaar verkeer bestemde telegrafen en telefonen te beschermen.

 

De bescherming van de openbare belangen die zijn gemoeid met de exploitatie van de telecommunicatie-infrastructuur en de aan de concessiehouders opgedragen diensten, vormt ook in deze wet de achtergrond ten aanzien van de regulering van vergunningen voor kabelverbindingen en straalverbindingen.

 

Om deze reden voorziet de wet in het vereiste van een vergunning voor het aanleggen, in stand houden en gebruiken van een inrichting bestemd voor telecommunicatie met gebruik van kabels en kabelwerken die geheel of gedeeltelijk in, op of boven openbare gronden worden of zijn aangelegd.

 

Lid 2

 

In verband met de bescherming van concessiehouders is in lid 2 bepaald, dat een dergelijke vergunning wordt geweigerd, indien deze bereid en in staat zijn binnen redelijke termijn en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een aan een zodanige inrichting (als waarvoor een vergunning wordt gevraagd) gelijkwaardige voorziening beschikbaar te stellen. Voorts zal een dergelijke vergunning worden geweigerd, indien de doelmatige verzorging van het algemeen en economisch belang zich tegen verlening van een dergelijke vergunning verzet; de beschikbare telecommunicatie-infrastructuur dient zo doelmatig mogelijk te worden gebruikt.

 

Aangezien van geval tot geval verschillend moet worden gedacht over de termijn die concessiehouders nodig zullen hebben om een dergelijke of gelijkwaardige voorziening beschikbaar te stellen, is in dit lid ervan af gezien een al dan niet fatale termijn op te nemen doch te spreken van "een redelijke termijn". In de praktijk en aan de hand van eventuele jurisprudentie zullen naar verwachting de grenzen worden getrokken. Hetzelfde geldt in feite ten aanzien van de "redelijke voorwaarden" waartegen een dergelijke of gelijkwaardige voorziening beschikbaar wordt gesteld.

 

Lid 3

 

Wordt eenmaal overgegaan tot het verlenen van een vergunning dan beoogt het bepaalde in lid 3 aan deze vergunning voorwaarden te kunnen stellen. Hiervan verdient bijzondere aandacht onderdeel g dat is gericht op de wijze waarop de toegestane inrichting aan de telecommunicatie-infrastructuur mag worden gekoppeld ter voorkoming van by-pass en afroming.

 

§ 5. Overige bepalingen

 

Artikel 54

 

Het verbod in lid 1 van dit artikel is bedoeld om te zorgen dat wordt voldaan aan het uitgangspunt dat, ter bevordering van een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch belang, in beginsel voor elektronisch transport van signalen gebruik dient te worden gemaakt van de telecommunicatie-infrastructuur.

 

Een dergelijk verbod zonder de mogelijkheid van uitzonderingen acht de Regering evenwel te rigide. In verband hiermee is in lid 2 de mogelijkheid van een ontheffing van het verbod opgenomen. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan bijzondere gevallen van koppeling ten behoeve van transport over bijvoorbeeld korte afstanden, waarbij een onverkorte handhaving van het verbod in strijd komt met de eerder uiteengezette ratio voor dit verbod.

Een dergelijke situatie kan zich voordoen indien twee inrichtingen die over een vergunning beschikken, technisch zodanig met elkaar samenhangen dat de eis van koppeling via de telecommunicatie-infrastructuur niet redelijk moet worden geacht. Als concessiehouders niet bereid en in staat zijn binnen redelijke termijn en tegen redelijke voorwaarden het gebruik van een gelijkwaardige voorziening beschikbaar te stellen, kan een ontheffing van het in lid 1 opgenomen verbod worden verleend.

                                              

Artikel 55

 

Deze verbodsbepaling richt zich met name op ondernemers die radio-elektromagnetische zend- en ontvanginrichtingen afleveren, verhuren, dan wel op andere wijze beschikbaar stellen.

 

Artikel 56

 

De hier bedoelde uitzondering heeft vooral betrekking op die organen en diensten, werkzaam op het terrein van defensie en politie, voor wie de uitzondering noodzakelijk is voor een goede uitvoering van hun taken. Het belang van de krachtens dit artikel te scheppen uitzonderingen maakt het gewenst dat de Minister belast met de zorg voor communicatie, de daarvoor nodige aanwijzingen eerst geeft na overleg met zijn ambtgenoten die het mede aangaat. De voorschriften en beperkingen die bij deze aanwijzing vastgesteld kunnen worden, hebben betrekking op technische eisen en eisen van etherorde, zoals die onder de huidige regelgeving ook vastgesteld worden.

 

Lid 2 strekt ertoe ambtshalve aan de aangewezen overheidsorganen en diensten, de voor de uitoefening van de opgedragen werkzaamheden noodzakelijke frequenties toe te kennen.

 

Hoofdstuk 6

Omroep

Artikel 57

 

In het algemeen gedeelte is reeds aangegeven dat de wet zich in principe beperkt tot voorzieningen, ook voor de omroep. In het toezicht op de inhoud van omroepprogramma’s behoort in andere wettelijke regelingen te worden voorzien. Bij ontbreken daarvan echter, is in de wet een voorlopige summiere regeling opgenomen om aan de verstrekking van omroepvergunningen en het toezicht op de naleving ervan, een wettelijke basis te geven.

 

Lid 1 stemt overeen met artikel 7 lid 1 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945.

 

Lid 2 en 3

 

Het toezicht op de naleving van de vergunningsvoorwaarden is aan de Omroepraad opgedragen. De wijze waarop aan deze taak uitvoering wordt gegeven behoort gereglementeerd te zijn.

 

Artikel 58

 

Een omroepvergunning behelst de bevoegdheid om de daartoe bestemde inrichting(en) voor handen te hebben alsmede om daarmede op de geëigende manier programma’s te verspreiden. Voor zover relevant maakt de toewijzing van een frequentie daarvan ook deel uit. De vergunningen worden bij resolutie door de President verstrekt, na daarin geadviseerd te zijn door de Omroepraad en de TAS.

 

Artikel 59

 

Lid 1

 

Aangezien in artikel 58 lid 2 is bepaald dat een omroepvergunning door de President wordt verleend en de voorwaarden die aan de vergunning worden verbonden daar een onlosmakelijk deel van vormen, zal duidelijk zijn dat de voorwaarden in dezelfde resolutie zullen worden opgenomen.

 

Lid 2

 

In deze bepaling wordt een niet limitatieve opsomming gegeven van de onderwerpen waarop de vergunningsvoorwaarden betrekking mogen hebben.

 

Onderdeel a is wenselijk, omdat vergunningen zowel naar reikwijdte als naar de gebezigde inrichtingen van elkaar kunnen verschillen.

 

Het onder d genoemde onderwerp strekt tot waarborging van de samenwerking tussen de vergunninghouders, zowel met betrekking tot het noodzakelijke overleg, als de doelmatige benutting van schaarse middelen.

 

Het bepaalde onder e tenslotte maakt het mogelijk de houders van een omroepvergunning te verplichten tot het verstrekken van al die informatie, welke de Omroepraad nodig heeft voor de uitoefening van het toezicht.

 

Artikel 60

 

Dit artikel voorziet in een regeling voor de inwerkingtreding van wijzigingen van de krachtens artikel 46 vastgestelde vergunningsvoorwaarden. Teneinde de vergunninghouders de gelegenheid te geven de noodzakelijke maatregelen te nemen om hun bedrijfsvoering aan te passen aan de vastgestelde wijziging, is in dit artikel bepaald dat deze voorwaarden niet eerder van kracht worden dan drie maanden na de vaststelling daarvan, tenzij de vergunninghouder zelf kan instemmen met een kortere termijn.

 

Artikel 61

 

Ook hier geldt enerzijds het profijtbeginsel (vergunningverlening) en anderzijds de zorg die de overheid in het algemeen belang heeft. Dit artikel is naar de mening van de Regering noodzakelijk teneinde de TAS te verzekeren van een vergoeding van de zijde van de omroepvergunninghouders voor de kosten verbonden aan het verlenen van de vergunning en voor het houden van toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels, voorschriften en vergunningsvoorwaarden.

 

Hoofdstuk 7 Frequentiebeheer

 

Artikel 62

 

In het algemeen gedeelte van deze memorie van toelichting is in hoofdstuk 1 § 3 onder  6, het belang van het frequentiebeheer uiteengezet. Naast de algemene definitie van telecommunicatie-infrastructuur, zoals opgenomen in artikel 1 onder  cc, die in wezen alle vormen van infrastructuur omvat, is dit begrip ook meer specifiek te benaderen, bijvoorbeeld door te spreken van kabelgebonden infrastructuur tegenover de infrastructuur waarbij gebruik gemaakt wordt van radiogolven. Beide vormen worden van oudsher niet alleen naast elkaar, maar ook door elkaar gebruikt. Ofschoon in recente jaren enorme vooruitgang is geboekt bij het zoeken naar uitbreiding van de capaciteit, zijn beide vormen door hun fysieke verschijningsvorm niet oneindig beschikbaar. Dit betekent dat de overheid, zowel voor de kabelgebonden infrastructuur als de infrastructuur waarbij gebruik gemaakt wordt van radiogolven, regulerend moet optreden teneinde een optimaal gebruik van de beschikbare voorzieningen te waarborgen. Dit geldt in het bijzonder voor het gebruik van de ether door radiogolven. In tegenstelling tot kabelgebonden infrastructuur, ten aanzien waarvan in geval van landsgrensoverschrijdende verbindingen de betrokken landen die zulks wensen afspraken zullen moeten maken, trekken radiogolven zich immers niets aan van landsgrenzen. Twee aaneengrenzende landen zullen, ter voorkoming van storing, afspraken moeten maken over door hun gebezigde frequenties in relatie tot de zendersterkte. In verband hiermee heeft de Internationale Unie voor Telecommunicatie (ITU = International Telecommunication Union) een aantal algemeen geldende regels geformuleerd ten aanzien van het gebruik van de ether of beter uitgedrukt het frequentiespectrum. Deze hebben onder meer betrekking op het verdelen van het frequentiespectrum in segmenten, waarbij elk segment of een aantal tezamen wordt voorbehouden voor het gebruik van specifieke voorzieningen. Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld landmobiele, maritieme en luchtvaarttoepassingen. Aangezien de bepalingen van de op 22 december 1992 te Genève tot stand gekomen Constitutie en Conventie van de Internationale Telecommunicatie Unie met de daarbij behorende bijlagen en reglementen (goedgekeurd bij wet van 22 mei 1995, S.B. 1995 no. 53), met inbegrip van daarin nadien aangebrachte wijzigingen (verder in deze Memorie van Toelichting aan te duiden als ITU-verdrag), alsmede van andere bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties, geen rechtstreekse werking hebben, zullen deze op enigerlei wijze in onze eigen wetgeving moeten worden verankerd. Het onderhavige artikel strekt ertoe de TAS te belasten met de zorg voor het beheer van het frequentiespectrum in de ether boven Surinaams grondgebied en de territoriale wateren.

 

Daartoe zal de TAS een frequentieplan moeten opstellen, dat, voor zover nodig, regelmatig wordt aangepast aan nieuwe ontwikkelingen op zowel internationaal als nationaal niveau. Dit frequentieplan dient te worden toegepast bij het toekennen van de benodigde frequenties voor radio-elektromagnetische zendinrichtingen ten behoeve van onder meer de concessiehouders, voor zover die inrichting deel uitmaakt van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur en de vergunninghouders voor een radio-elektromagnetische zendinrichting als bedoeld in artikel 46 van de wet. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor radio- en televisieomroepzenders. Daarnaast zullen er ook toepassingen zijn waarvoor geen vergunning noodzakelijk is door de geringe zendcapaciteit bijvoorbeeld ingeval van "remote control" voor onder meer toegangsdeuren, radiografisch bestuurde modelboten en vliegtuigen, de tegenwoordig niet meer weg te denken draadloze microfoons en gitaren en talloze andere toepassingen. Niettemin zal ook hier een zekere ordening noodzakelijk zijn, die op basis van het frequentieplan dient te worden gerealiseerd.

 

Lid 2 van dit artikel vormt de basis voor de nadere uitwerking van de gebruiksbestemmingen van het voor radiocommunicatie beschikbare deel van het frequentiespectrum in het frequentieplan. Dit plan zal het uitgangspunt vormen waarop het frequentiebeheer in de praktijk wordt gebaseerd. Gekozen is voor de term “plan”, omdat het plan in feite een bestemmingsplan is en de daadwerkelijke verdeling van frequentieruimte op basis van dit plan gebeurt.

 

Het plan zal een overzicht bevatten van de (mede) op basis van internationale afspraken vastgelegde bestemmingen voor onderdelen van het spectrum (zoals landmobiele, maritieme, luchtvaarttoepassingen en huurlijnen) en van de categorieën van gebruik. Onder dit laatste dient te worden verstaan de gebruikscategorieën, onderverdeeld in zakelijk gebruik, gebruik voor vitale overheidstaken, omroep en divers gebruik.

 

Naast de bovengenoemde bestemmingen zal in het plan tevens aandacht worden besteed aan andere onderwerpen, zoals de doelstellingen van het frequentiebeleid, de voorgenomen instrumenten van verdeling van de frequentieruimte alsmede aan de onderzoeken, die worden uitgevoerd naar een doelmatige verdeling van frequentieruimte in ons land.

 

Het gebruik van frequenties zal, met uitzondering van de eerder genoemde toepassingen met een zeer beperkte zendcapaciteit, in beginsel steeds gekoppeld zijn aan de verlening van een concessie, een vergunning of een tijdelijke ontheffing krachtens artikel 66.

 

Met het toekennen van frequenties wordt de TAS belast, uiteraard binnen de grenzen die in het frequentieplan zijn getrokken. De TAS wordt ook belast met de registratie van toegekende frequenties teneinde te bezien óf en zo ja welke en hoeveel frequenties voor een bepaalde toepassing nog beschikbaar zijn, mede in het licht van hetgeen hierboven reeds werd opgemerkt met betrekking tot de internationale aspecten.

 

 

 

 

Artikelen 63 en 64

 

Voor een toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar de toelichting op soortgelijke artikelen in het kader van de toekenning en reservering van nummers (artikelen 24 en 25).

 

Artikel 65

 

Naast het frequentieplan, dat een overzicht van de bestemmingen van frequentieruimte bevat, dient de TAS een afzonderlijk register bij te houden, dat een nauwkeurig inzicht geeft welke frequentieruimte reeds is uitgegeven. Uit overwegingen van privacy zal de ter inzage beschikbare versie van het register, ingevolge artikel 67 onder c, bij staatsbesluit vast te stellen regels, niet als informatie bevatten aan wie de frequentieruimte is toebedeeld en voorts zal dit register alleen de informatie bevatten, waarvan mag worden aangenomen dat publikatie daarvan niet bezwaarlijk is in verband met de staatsveiligheid.

Door het register en het frequentieplan naast elkaar te leggen, kan een geïnteresseerde in het gebruik van frequentieruimte te allen tijde een overzicht krijgen waar uit een oogpunt van verdeling, nog ruimte is in het frequentiespectrum voor een door hem voorgenomen telecommunicatie-activiteit.

 

Artikel 66

 

In bijzondere gevallen kan het nodig zijn dat radiozendapparaten worden gebruikt waarmee bewust het gebruik van bepaalde frequentieruimte wordt gestoord teneinde bijvoorbeeld gijzelingen of ontvoeringen te beëindigen. Bij de huidige stand van de techniek, kan worden gedacht aan radiozendapparaten waarmee de mobiele telefonie binnen het bereik van een basisstation voor mobiele communicatie (een territoir in de orde van grootte van enige vierkante kilometers) wordt gestoord teneinde de identiteit van een gebruiker van mobiele randapparatuur vast te stellen. Met dergelijke apparaten kan via radiogolven aan de randapparatuur van een dergelijk net voor mobiele telefonie een impuls worden gegeven waardoor de zogenaamde IMSI (International Mobile Subscriber Identity) wordt gegenereerd en vervolgens door ontvangstapparatuur wordt afgelezen. Dit kan nuttig zijn om vervolgens een telefoontap te plaatsen. Deze apparaten worden daarom IMSI-catcher genoemd.

 

De in dit artikel aangehaalde regeling beperkt zich daartoe niet, doch heeft betrekking op alle mogelijk in de toekomst te ontwikkelen apparaten waarbij op een andere wijze van het frequentiespectrum gebruik wordt gemaakt dan waarvoor deze krachtens de wettelijke regels is bedoeld.

 

Het initiatief om op deze wijze gebruik te maken van het frequentiespectrum ligt steeds bij de President. Vanwege de algemene verantwoordelijkheid van de Minister, voor de integriteit van de telecommunicatie-infrastructuur, is in beginsel instemming met de inbreuk op het gewone gebruik van het frequentiespectrum vereist.

De aanhef juncto onderdeel a ziet op de situatie van noodweer, voor zover het gaat om strafbaar gedrag jegens een natuurlijke persoon. Dit vereist dat de inzet van de apparaten onvermijdelijk is, omdat andere, minder ingrijpende middelen niet beschikbaar zijn en de inzet proportioneel moet worden geacht, gelet op het doel. De inzet van het middel ten behoeve van de opsporing van ernstige strafbare feiten, kan niet in deze wet worden geregeld. De juiste plaats daarvoor is het Wetboek van Strafvordering. De vraag van een eventuele regeling voor dat doel ontstijgt het bereik van deze wet.

In onderdeel b is een vergelijkbare regeling getroffen voor de gevallen dat de veiligheid van de Staat de inzet van apparaten vereist.

 

Hoofdstuk 8

Randapparatuur

 

Artikel 68

 

In de zin van artikel 2 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945, vormen telegraaf- en telefoontoestellen een onderdeel van én de telecommunicatie-infrastructuur én de openbare dienst. Dit valt te verklaren uit het vroeger eenduidig gebruik van het telegraaf- respectievelijk telefoonnet.

 

Door de huidige mogelijkheden van het gebruik van vooral het telefoonnet voor andere diensten met behulp van een grote verscheidenheid aan randapparatuur, is een geheel andere situatie ontstaan. Vooruitlopend op een eerdere liberalisatie is het monopolie van concessiehouders op randapparatuur reeds enige jaren geleden opgeheven.

 

De evengeschetste gewijzigde positie van bedoelde randapparatuur brengt echter de noodzaak van een nadere wettelijke regeling met zich mee. Thans immers zullen in het belang van een adequate afwikkeling van de over de telecommunicatie-infrastructuur te verzenden berichtgeving, regels moeten worden vastgesteld waaraan randapparatuur moet voldoen, zoals terzake technische eisen, certificering en toelating van (buitenlandse) apparatuur op de Surinaamse markt en de bedrijfsmatige installatie van randapparatuur.

 

Gelet op de geringe omvang van de Surinaamse markt, zal in Suriname nauwelijks enig randapparaat worden gebruikt dat in Suriname is gefabriceerd of (nagenoeg) uitsluitend voor de Surinaamse markt is bestemd. In het algemeen zullen randapparaten worden ingevoerd, die ook elders worden toegepast. Daarbij is wel van belang dat alleen apparaten  worden toegelaten, die elders reeds zijn goedgekeurd (door een erkend testlaboratorium) respectievelijk zijn toegelaten, zodat ons land niet met dumping van inferieure apparatuur wordt bedreigd. Internationale aanbevelingen en standaarden zijn hierbij bepalend. Overigens worden in toenemende mate door de fabrikanten zelf verklaringen van conformiteit afgegeven, dat wil zeggen dat de fabrikant verklaart dat zijn apparaat voldoet aan de eisen van een bepaalde standaard (de z.g. fabrikantenverklaring).

 

Pas wanneer de bedoelde documenten niet beschikbaar zijn, kan het nodig zijn de apparatuur alsnog aan een keuring te onderwerpen. Daartoe dient door de TAS een instelling te worden aangewezen die moet onderzoeken of de apparatuur aan de te stellen eisen voldoet. Een dergelijk onderzoek dient plaats te vinden  op kosten  van degene die deze apparatuur wenst in te voeren of te produceren. De aanvrager dient daartoe een representatief exemplaar van de voor toelating aan te melden apparatuur, vergezeld van de relevante gegevens, aan de aangewezen keuringsinstelling beschikbaar te stellen.

 

Apparatuur die bijvoorbeeld door omvang of complexiteit niet kan worden overhandigd aan een keuringsinstantie, zal op lokatie moeten worden gekeurd. Dit geldt bijvoorbeeld bij aansluiting op de telecommunicatie-infrastructuur van eigen bedrijfsnetten (toestellen, schakel- en transmissiemiddelen, local area networks e.d.) als ook voor inrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5. De keuring zal door of in opdracht van de TAS geschieden.

 

De aangewezen keuringsinstelling test (op locatie) het desbetreffende apparaat of de complexe installatie aan de hand van de voor toelating van een dergelijk apparaat of installatie geldende eisen en legt de meetresultaten vast in een testrapport onder vermelding aan welke eisen het apparaat is getest. Uiteindelijk beslist de TAS over de toelating c.q. goedkeuring.

 

Voor wat betreft het vaststellen van technische eisen aan interne netwerken (lid 1) en de keuring van die netten (lid 2 onder d), moge worden verwezen naar de toelichting op soortgelijke bepalingen met betrekking tot kabelnetten bij artikel 51 lid 3 onder c en e.

 

Lid 6 beoogt de beoordelingsruimte met betrekking tot de keuring van interne netten, naar analogie van die bij de toelating van randapparatuur, te beperken.

 

Uit lid 7 kan worden afgeleid dat het toelatingsmerk niet op de randapparatuur zelf behoeft te zijn aangebracht. Internationaal gangbare merken zoals het Europese Cemerk (C€)  zullen ook in Suriname kunnen worden erkend. Echter, het gebruik van stickers wordt kwetsbaar geacht en kan frauduleus handelen in de hand werken. Daarom zal door de TAS een lijst van toegelaten apparatuur worden bijgehouden. Ook zal de TAS beschikken over een overzicht van de relevante internationale aanbevelingen en standaarden.

 

Hoofdstuk 9

Elektromagnetische Compatibiliteit

 

Artikel 69

 

Als gevolg van de snelle technologische ontwikkelingen en de enorme toename van het aantal elektrische en elektronische apparaten – ook bijvoorbeeld in de huishoudelijke sfeer- is een goede regeling van het vraagstuk van de Elektromagnetische Compatibiliteit (EMC) van groot belang. Dat betekent, dat eisen worden gesteld ten aanzien van de stoorstraling of stoorspanning die de betreffende apparatuur mag produceren en evenzeer eisen worden gesteld ten aanzien van de immuniteit van die apparatuur tegen elektromagnetische storingen die door andere apparatuur wordt veroorzaakt.

 

Voor telecommunicatie-apparatuur geldt in principe hetzelfde als voor de eerdergenoemde elektrische en elektronische toestellen en daarom is het in hoge mate gewenst een regeling als bedoeld in lid 1 van dit artikel in de telecommunicatiewetgeving op te nemen.

 

Ook hier zijn internationale aanbevelingen en standaarden van toepassing. Het aangehaalde artikel houdt in dat de betreffende apparatuur slechts op de Surinaamse markt mag worden gebracht, indien zij voldoet aan de terzake de Elektromagnetische Compatibiliteit vastgestelde eisen.

 

De telecommunicatie-apparatuur, waarin elders in deze wet is voorzien in voorschriften ter voorkoming van elektromagnetische storingen is van de werkingssfeer van dit artikel uitgezonderd.

 

Hoofdstuk 10

Bepalingen inzake de gedoogplicht voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en kabelwerken, behorende tot de telecommunicatie-infrastructuur

 

Artikelen 71 tot en met 76

 

De in deze artikelen neergelegde regeling van de verplichting om in een aantal gevallen kabels behorende tot de telecommunicatie-infrastructuur te gedogen, wijkt niet wezenlijk af van de regeling terzake in de artikelen 9 tot en met 17 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945. Voor wijziging bestond er minder reden, nu deze gedoogplicht sinds haar invoering in 1945 vrijwel nimmer problemen heeft opgeroepen.

 

Wel brengt de gewijzigde opzet van de voorliggende wet mee, dat op enkele punten een andere terminologie moet worden gebezigd.

 

Met name dient de omschrijving van de te gedogen kabels en lijnen vervangen te worden door "kabels ten dienste van de telecommunicatie-infrastructuur". Daarnaast zijn verouderde bewoordingen zoveel mogelijk gemoderniseerd.

 

In artikel 81 is het in dit hoofdstuk bepaalde mede van toepassing verklaard op de vergunninghouders voor een draadomroepinrichting.

 

Lid 2 van artikel 71 is nieuw en wordt wenselijk geacht in verband met het grote belang dat is gemoeid met de langeafstandscommunicatie, waartoe in het bijzonder de internationale telecommunicatie moet worden gerekend, maar ook de verbindingen met de districten.

 

In artikel 71 is de Districts-Commissaris niet langer in de procedure opgenomen en is ook niet langer van een openbare terinzagelegging sprake. Het betreft hier immers een aangelegenheid tussen de concessiehouders of houders van een vergunning voor een draadomroepinrichting enerzijds en degene op wie de gedoogplicht rust anderzijds.

 

In de procedure onder de vigeur van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 was in artikel 14 van die wet een taak weggelegd voor de Minister. In de huidige tijd waarin sprake is van zelfstandige bedrijven, is er geen plaats meer voor ministerieel ingrijpen. De wet zelf regelt nu de plicht van de desbetreffende concessiehouder. Mocht het betrokken bedrijf daartoe niet overgaan, dan staat de TAS het instrumentarium ten dienste, bedoeld in hoofdstuk 12.

 

Hoofdstuk 11

Vergoedingen

 

Artikel 81

 

In dit artikel is de vergoedingsregeling, welke in artikel 3 lid 4 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 onder meer bestaat ter bestrijding van de kosten verbonden aan het verlenen van een vergunning voor een radio-elektromagnetische zendinrichting dan wel een ontvanginrichting en de controle op de naleving van de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, uitgebreid. Deze uitbreiding heeft in hoofdzaak betrekking op de vergunningen voor draadomroepinrichtingen en het toezicht daarop, keuringen ingevolge de regeling voor randapparatuur en ontstoring alsmede het toezicht op de naleving van die regeling, de behandeling van klachten in verband met de storing, de erkenning ingevolge de regeling voor randapparatuur alsmede het toezicht daarop en bepaalde ontheffingen alsmede het toezicht op de naleving daarvan.

 

Hoofdstuk 12

Beroep

 

Artikel 82

 

Aangezien administratieve rechtspraak terzake beslissingen door bestuursorganen genomen met betrekking tot telecommunicatie-aangelegenheden ontbreekt, is in deze wet voorzien in beroep op de burgerlijke rechter.

Van de uitspraak van de kantonrechter staat ingevolge lid 2, beroep open bij het Hof van Justitie.

 

Artikel 83

 

De in dit artikel opgenomen regels strekken ertoe te voldoen aan de eisen van artikel 14 van het Internationale Verdrag inzake de Burgerlijke en Politieke Rechten en artikel 8 van de Inter-American Convention on Human Rights.

 

Hoofdstuk 13

Toezicht

 

Voor het optimaal functioneren van de telecommunicatiesector is een doeltreffende handhaving van de desbetreffende wetgeving van cruciaal belang. Onder handhaving wordt in dit verband verstaan het door controle en het toepassen van bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en privaatrechtelijke middelen bereiken, dat de algemeen en individueel geldende rechtsregels en voorschriften worden nageleefd.

 

Bij de handhaving kan onderscheid worden gemaakt tussen preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving houdt in dat actief toezicht wordt gehouden op de naleving van regels zonder dat er direct sprake hoeft te zijn van concrete gevallen waarin het vermoeden bestaat dat de regels zijn overtreden. Toezicht op de naleving van vergunningsvoorschriften heeft hierbij als belangrijke elementen: overdracht van informatie aan de vergunninghouder en waarschuwing in geval van overtreding waardoor het toezicht tevens een signaleringsfunctie heeft voor de opsporingsfase, waarin opgetreden kan worden in gevallen van (herhaalde) overtreding. Repressieve handhaving komt aan de orde als in strijd met de regels is gehandeld.

 

Strafrechtelijk optreden vindt vrijwel steeds plaats nadat de regels zijn overtreden. Het heeft evenwel niet het primaire oogmerk de gevolgen van zo een overtreding ongedaan te maken. Het kan hier echter wel het logische uitvloeisel van zijn. Om herhaald strafrechtelijk optreden te vermijden, ligt het op zich voor de hand dat de betrokkene uit eigen beweging een eind zal maken aan de verboden situatie. Repressief optreden door het bestuur heeft in de regel tot doel aan de verboden toestand rechtstreeks een eind te maken.

Het naleven van wetgeving is niet zonder meer vanzelfsprekend. Op een aanmerkelijk aantal terreinen van overheidsbeleid is immers een handhavingtekort te constateren. Dit geldt ook voor het beleidsterrein telecommunicatie.

 

De wetgeving zal het instrumentarium dienen te bevatten om een zo effectief mogelijke handhaving te realiseren. In het kader van de nieuwe telecommunicatiewetgeving zullen de doelstellingen van de wet voor een belangrijk deel kunnen worden bereikt dankzij de inzet van het bestuursrechtelijk handhavinginstrumentarium. Hierbij ware met name te denken aan bestuursdwang, dwangsom, bestuurlijke boete, maar bijvoorbeeld ook ‑ specifiek voor het beleidsterrein frequenties ‑ aan het opleggen van een zendverbod of het verzegelen van de ruimte waar de apparatuur staat opgesteld. Het strafrecht kan dienen als sluitstuk van de bestuursrechtelijke handhaving: het strafrecht als "ultimum remedium".

 

Biedt de wet zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke handhavinginstrumenten, bij de uitvoering in de praktijk zal het accent liggen op het bestuursrechtelijk instrumentarium. Bij de inzet van het strafrecht zal de nodige terughoudendheid worden betracht. Strafrechtelijke handhaving zal met name aan de orde zijn als de bestuursrechtelijke middelen minder effectief blijken te zijn.

 

Artikelen 84 tot en met 88

 

Het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde is opgedragen aan de TAS.

 

Aan de TAS is ook de bevoegdheid toegekend om, in het kader van het uitgeoefende toezicht en ter handhaving van de bij of krachtens deze wet vastgestelde eisen, bestuursdwang toe te passen. Onder bestuursdwang moet worden verstaan het door, feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met de bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vastgestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

 

Indien volgens de TAS bestuursdwang minder kans van slagen heeft, kan zij de overtreder, in plaats van bestuursdwang toe te passen, een last onder dwangsom opleggen.

Zoals al in de inleiding op de toelichting op het Hoofdstuk Toezicht is aangegeven, is terzake  gebruik van radio-elektromagnetische zendinrichtingen in strijd met de wettelijke voorschriften voorts de mogelijkheid opgenomen een zendverbod op te leggen of de zendinrichting te doen verzegelen en in bewaring te doen nemen.

 

Ten slotte kent de wet, onverminderd de mogelijkheid over te gaan tot intrekking van bijvoorbeeld de vergunning, de mogelijkheid een administratieve boete op te leggen. Het in artikel 88 lid 1 genoemde bedrag is een maximum. Bij iedere beschikking waarbij een boete wordt opgelegd, zal moeten worden afgewogen hoe hoog de boete moet zijn. Daarbij zal in ieder geval rekening moeten worden gehouden met de omstandigheden van het concrete geval, zoals recidive, de ernst van het feit, het berokkende nadeel of het behaalde voordeel. In principe zal de financiële positie van de overtreder geen rol spelen bij het vaststellen van de hoogte van de boete. Wel moet worden bedacht, dat de voor belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit, niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

 

 

Artikelen 89 tot en met 94

 

Deze bepalingen zijn grotendeels in overeenstemming met de modelbepalingen van de Aanwijzingen voor de Regelgevingstechniek (aanwijzingen 113 tot en met 122). De specifieke positie van de TAS heeft enkele aanvullingen noodzakelijk gemaakt.

 

Artikel 95

 

In dit artikel vinden het zwijgrecht en de cautieplicht regeling. Het zwijgrecht vindt regeling in de eerste volzin waarin is bepaald dat iemand niet verplicht is om een belastende verklaring tegen zichzelf af te leggen in verband met de in onderzoek zijnde overtreding. Artikel 14 lid 3 van het Internationaal Verdrag voor de Burgerlijke en Politieke Rechten (BUPO Verdrag), dwingt tot een dergelijke regeling. Het zwijgrecht geldt ook in de bestuurlijke fase voor zover er sprake is van een "criminal charge". Het zwijgrecht heeft echter geen onbeperkte gelding omdat dan de aan de overheid toekomende controlebevoegdheden volstrekt illusoir zouden worden.

 

In de tweede volzin is de cautieplicht geregeld. Alhoewel artikel 14 lid 3 van het BUPO Verdrag, geen cautieplicht voorschrijft, bestaat er naar de mening van de Regering in het algemeen geen aanleiding om op dit punt een onderscheid te maken tussen de bestuurlijke boeteprocedure en de strafrechtelijke procedure, waarin de cautieplicht wel bestaat.

 

Hoofdstuk 14

Bijzondere bepalingen

 

Artikelen 96, 98 en 99

 

Het in deze artikelen bepaalde komt vrijwel geheel overeen met respectievelijk de artikelen 20, 21 en 25 van de huidige Telegraaf- en Telefoonwet 1945.

 

Deze formulering is in overeenstemming gebracht met de in onderhavige wet gebezigde bewoordingen.

 

Artikel 97

 

Het in dit artikel opgenomen verbod strekt tot aanvulling van de strafbepaling inzake oplichting, als geregeld in artikel 386 van het Wetboek van Strafrecht.

 

De in dit artikel opgenomen aanvulling heeft betrekking op het langs technische weg manipuleren van de telecommunicatie-infrastructuur en een draadomroepinrichting tot het daarover doen verrichten van diensten met betrekking tot de telecommunicatie. Evengenoemd artikel 386 dekt deze wijze van oplichting niet. Het in dit artikel genoemde delictsbestanddeel "iemand bewegen tot de afgifte van enig goed of tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld" omvat niet "het door middel van technische manipulatie bewerkstelligen van het verrichten van een dienst".

 

Het artikel is juist gericht op dit laatste element. Deze bepaling strekt tot bescherming van het verrichten van diensten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de telecommunicatie-infrastructuur of een draadomroepinrichting. Wat betreft de telecommunicatie-infrastructuur heeft deze bescherming betrekking op zowel de door concessiehouders als door derden te verrichten diensten. Het artikel stelt de hier bedoelde technische manipulatie uitsluitend strafbaar voor zover het geschiedt met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen; dit in aansluiting op genoemd artikel 386.

Onder "technische ingreep" wordt verstaan elke vorm van technische manipulatie, zowel van buitenaf als in de telecommunicatie-infrastructuur en de draadomroepinrichting, die leidt tot het verrichten van de hier bedoelde diensten, ook waar dit gevolg wordt bereikt louter ten gevolge van een door een technische ingreep rechtstreeks in werking stellen van een mechanisme.

 

Door het aanmerken van een dergelijk delict als economisch delict, wordt het ingevolge artikel 4 lid 3 van de Wet Economische Delicten beschouwd als een misdrijf. Het begaan van het hier bedoelde delict kan in het algemeen zeer ernstige gevolgen hebben voor de gedupeerden wat betreft financiële schade, verstoring van bedrijfsprocessen en de aantasting van de persoonlijke levenssfeer.

De maximale hoogte van de gevangenisstraf voorziet in de mogelijkheid de verdachte in voorlopige hechtenis te houden. De vaak ingewikkelde technische omstandigheden waaronder het delict kan worden begaan, rechtvaardigen deze mogelijkheid. Ten slotte worden hierdoor mede de voorwaarden geschapen dat bij de opsporing van gepleegde delicten internationale justitiële medewerking wordt verkregen.

 

Artikel 100

 

Nu de verzorging van de openbare nutstaken op het terrein van de telecommunicatie niet meer vanwege de Staat maar door de concessiehouders geschiedt, is het nodig in deze wet een herziene regeling op te nemen met betrekking tot de uitoefening van die taken in bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen.

 

De bepaling beoogt de mogelijkheid te bieden, dat de Minister, in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken, aan concessiehouders de nodige aanwijzingen geeft, ingeval de Regering voor de uitvoering van besluiten van de Verenigde Naties (Veiligheidsraad) of ingeval van ernstige internationale conflicten bij wijze van economische maatregel, aanpassing van de telecommunicatie-verbindingen en van de daarover door de concessiehouders te verlenen openbare diensten van en aan één of meer bepaalde landen nodig acht.

 

 

Hoofdstuk 15

Overige bepalingen

 

Artikel 101

 

Nu de TAS in beginsel het orgaan is dat beslist over de verlening van vergunningen en dergelijke alsmede over de toekenning van frequenties en de toekenning en reservering van nummers, dient de Minister in overeenstemming met de Minister van Justitiële en Politionele aangelegenheden in het belang van de veiligheid van de Staat en de openbare orde over de bevoegdheid te beschikken de TAS op te dragen tot intrekking van de verleende rechten over te gaan. Gelet op de gevolgen van een dergelijke opdracht, zullen de in dit artikel genoemde ministers daar niet licht toe overgaan.

 

Artikel 102

 

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen 30 en 31.

 

Artikel 103

 

Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen 32 tot en met 35.

 

Artikel 104

 

Deze bepaling is gelijk aan de modelbepaling van aanwijzing 133 van de Aanwijzingen voor de Regelgevingstechniek en is bestemd voor die gevallen waarin niet reeds uit andere hoofde (bijvoorbeeld de artikelen 438, 439 en 440 van het Wetboek van Strafrecht) een geheimhoudingsplicht geldt.

 

Hoofdstuk 17

Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 123

 

Dit artikel voorziet in de intrekking van de wetgeving die bij de inwerkingtreding van deze wet dient te vervallen. Het betreft de Telegraaf- en Telefoonwet 1945, artikel 5 van het Decreet

C-38 uit 1980, houdende de instelling van TELESUR als rechtspersoon sui generis en waarbij aan TELESUR bepaalde publiekrechtelijke bevoegdheden werden opgedragen en, het Staatsbesluit van 26 maart 1998 (SB 1998 no. 32), houdende de instelling van de Telecommunicatie Autoriteit Suriname.

 

Artikel 124

 

Dit artikel strekt ertoe de regels die zijn vastgesteld krachtens de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 van kracht te doen zijn totdat zij door uitvoeringsregelgeving ingevolge deze nieuwe wet worden vervangen.

Mogelijkerwijs zullen deze regels waar nodig moeten worden aangepast aan de in de wet opgenomen regeling. Dit kan uiteindelijk met zich meebrengen, dat een uitvoeringsregeling opnieuw moet worden vastgesteld op basis van de in de wet neergelegde regeling. In dat geval is het artikel uiteraard niet meer van toepassing.

 

 

 

Artikel 125

 

Lid 1

 

Aangezien het degenen, die een recht hebben verworven voor het verrichten van bepaalde telecommunicatie-activiteiten niet kan worden tegengeworpen dat een nieuwe wettelijke regeling terzake wordt tot stand gebracht, beoogt dit lid deze verworven rechten in beginsel te respecteren. Dit zal echter niet gelden voor de concessiehouders aangezien het nieuwe regime te zeer afwijkt van de vigerende wettelijke regeling. Direct bij het in werking treden van de onderhavige wettelijke regeling kunnen nieuwe concessies dienen te worden afgegeven.

 

Lid 3

 

Deze bepaling strekt ertoe te verzekeren, dat van bestaande vergunningen voor inrichtingen als bedoeld in lid 1, geen ruimer gebruik wordt gemaakt dan waarvoor zij zijn verleend op het tijdstip van de inwerkingtreding van de verordening. Wenst de vergunninghouder na de inwerkingtreding van deze wet een uitbreiding van zijn vergunning, dan dient hij deze op grond van de alsdan daarvoor geldende regels aan te vragen.

 

Artikel 126

 

In dit artikel wordt de overgang van rechten, bezittingen en verplichtingen geregeld.

 

Artikel 127

 

In dit artikel wordt de overgang van het personeel en de pensioenaanspraken geregeld.

 

Artikel 128

 

In dit artikel wordt de overgang van archiefbescheiden geregeld.

 

Artikel 129

 

Dit artikel strekt ertoe op beslissingen, die zijn genomen onder de vigeur van de Telegraaf- en Telefoonwet 1945 (G.B. 1945 no. 140, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B.1983 no. 54), het recht dat ingevolge die wet gold van toepassing te verklaren in al die gevallen waarin deze beslissingen nog niet in kracht van gewijsde zijn gegaan.

 

           

 

 

Gegeven te Paramaribo, de 11e november 2004, 

De President van de Republiek Suriname, 

drs. R.R. Venetiaan

 

Afgegeven te Paramaribo, de 15e december 2004, 

De Minister van Binnenlandse Zaken, 

U.Joella-Sewnandan